De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/9.1.2.2:9.1.2.2 Ten aanzien van het erfrecht
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/9.1.2.2
9.1.2.2 Ten aanzien van het erfrecht
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232230:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de onderzoeksvragen was of de bij dode opgerichte stichting in het erfrecht anders wordt behandeld dan andere stichtingen. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Het belangrijkste verschil tussen een willekeurige derde en de bij dode opgerichte stichting is dat het deze stichting niet vrij staat de uiterste wilsbeschikkingen naast zich neer te leggen. De bij dode opgerichte stichting dient de begunstigingen door de erflater/oprichter in beginsel te aanvaarden.
In 6.3.3 heb ik drie redenen aangevoerd voor het verbod van de bij dode opgerichte stichting tot het verwerpen van erfrechtelijke begunstigingen door de erflater/oprichter. Samengevat zijn deze redenen:
De wil van degene die de stichting beheerst heeft te gelden als de wil van de stichting. Als het bestuur zonder zwaarwegende gronden makingen zou verwerpen, handelt het bestuur tegen de wil van de stichting. In dat geval kan gezegd worden dat wil (van de stichting) en verklaring (door het bestuur) niet met elkaar in overeenstemming zijn.
De erflater/oprichter heeft recht op uitvoering van zijn uiterste wilsbeschikkingen. Dit recht vloeit voort uit de testeervrijheid die onderdeel is van het eigendomsrecht, daarom kan de door de erflater zelf gecreëerde erfgenaam of legataris een making niet verwerpen.
De mogelijkheid tot verwerping van een nalatenschap of een legaat, is in strijd met het doel als last. De wil van de oprichter is leidend voor de stichting. Verwerping van een making door de stichting afkomstig van de erflater zelf is daarmee in strijd.
Deze argumenten gelden ook voor het verbod op het niet aanvaarden van een benoeming in bepaalde functies door de bij dode opgerichte stichtingen.
Men dient zich echter het volgende te bedenken. Zowel een bij dode opgerichte stichting als een bij leven opgerichte stichting dienen zich te richten naar het belang van de stichting. Dit belang zal doorgaans meebrengen dat een begunstiging moet worden aanvaard, ook door een niet bij dode opgerichte stichting. De niet bij dode opgerichte stichting heeft echter vrijheid bij het maken van de afweging of het belang van de stichting zich tegen aanvaarding van een begunstiging verzet. Bij de bij dode opgerichte stichting geldt dus dat de stichting een begunstiging moet aanvaarden en bij de niet bij dode opgerichte stichting dat zij deze moet aanvaarden tenzij voldoende gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Dit laatste zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de levenswandel van de erflater niet in overeenstemming is met de grondslagen of het beleid van de stichting.