Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.1:7.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940651:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat daarbij zowel om de toepassing van de bepalingen uit de materiële heffingswetten (zoals de Wet IB 2001 en de Wet OB) als om de toepassing van de formeelrechtelijke regels ten aanzien van de heffing, zoals die onder meer in de AWR zijn vastgelegd.
Zie Hartmann 1998, p. 10.
Zie daarover nader hoofdstuk 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in alle rechtsgebieden is gelijk hebben in het fiscale domein iets anders dan gelijk krijgen. Het bewijs van de fiscaal relevante feiten en omstandigheden is in feite even belangrijk als het bestaan van die feiten en omstandigheden zelf. Zonder voldoende bewijs is degene op wie de bewijslast rust nergens: hij kan zijn zaak niet in rechte hard maken, hoezeer hij ook feitelijk gelijk heeft.
De bestudering van het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken is zonder een grondig inzicht in het bewijsrecht zoals dat in het algemeen in fiscale zaken geldt, onmogelijk. De bewijspositie in de sfeer van de boete borduurt in feite voort op de algemene fiscale bewijspositie, die steeds op de achtergrond aanwezig is en daarvoor als basis dient. Daarom behandel ik in dit hoofdstuk eerst afzonderlijk het bewijsrecht in fiscalibus in brede zin, dus zoals dat (ook) geldt voor de heffing.1 In de volgende hoofdstukken komt vervolgens de specifieke bewijspositie ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete aan de orde. Daarbij zal veelvuldig worden teruggegrepen op dogma’s, leerstukken en uitgangspunten van het algemene fiscale bewijsrecht zoals die in dit hoofdstuk worden behandeld. Uit de confrontatie met het algemene fiscale bewijsrecht wordt vervolgens inzichtelijk op welke onderdelen er voor de fiscale bestuurlijke boete aanvullende of afwijkende bewijsregels bestaan, en welke gevolgen dat heeft voor de totale bewijspositie in de sfeer van de boete.
De kernvraag van dit hoofdstuk is dus:
Welke rechtsregels gelden er in het algemeen voor het bewijs in fiscale zaken?
Deze kernvraag kan worden onderverdeeld in de volgende deelvragen, die in het navolgende afzonderlijk zullen worden behandeld:
Bewijslastverdeling: WIE moet bewijzen? (zie paragraaf 7.3.4).
Bewijsmiddelen: WAARMEE moet bewezen worden? (zie paragraaf 7.3.5).
Bewijsgaring: HOE moeten bewijsmiddelen worden verzameld? (zie paragraaf 7.3.6).
Bewijsvoering: HOE en WANNEER moet bewezen worden? (zie paragraaf 7.3.7).
Bewijsgradatie: HOE OVERTUIGEND moet bewezen worden? (zie paragraaf 7.3.3 en 7.3.8).
Keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen: WELKE bewijsmiddelen wegen het zwaarst en WIE bepaalt dat? (zie paragraaf 7.3.9).
Naast deze inhoudelijke, materieelrechtelijke vragen is ook van belang welke formele, procesrechtelijke regels het fiscale bewijsrecht beheersen (paragraaf 7.3.10).
In de literatuur komt een dergelijke integrale, systematische indeling in deelonderwerpen niet dikwijls voor. De nadruk ligt veelal op de bewijslastverdeling. Voor wat betreft het ‘proces van bewijzen’ wordt verder nog wel onderscheid gemaakt in bewijsgaring, bewijsvoering en bewijswaardering.2 Naar mijn mening moeten echter ook de onderwerpen bewijsmiddelen en bewijsgradatie als afzonderlijk aspect worden erkend, en dienen de verschillende aspecten bovendien met elkaar verbonden te worden door ze in onderling verband te beschouwen. In die overtuiging is de belangrijkste rechtvaardiging gelegen voor de thematische aanpak die ik voor dit onderzoek heb gekozen. De daaruit voortvloeiende indeling in deelgebieden van het bewijsrecht (zie paragraaf 2.2.2.2) sluit aan bij de hierboven vermelde deelvragen.
Aldus komt de in dit hoofdstuk behandelde kernvraag overeen met de eerste onderzoeksvraag (zie paragraaf 2.2.2.3):
1. Hoe ziet het Nederlandse, algemene fiscale bewijsrecht eruit op de diverse deelgebieden?
Voorafgaand aan de beschouwing per deelvraag sta ik kort stil bij het verband tussen bewijs en feitenvaststelling (paragraaf 7.2). Vervolgens ga ik uitgebreid in op de hierboven genoemde deelvragen, waarbij dus de verschillende deelgebieden van het bewijsrecht in algemeen-fiscale zin aan de orde komen (paragraaf 7.3). In een afzonderlijke paragraaf (paragraaf 7.4) besteed ik vervolgens aandacht aan de zogeheten omkering van de bewijslast, omdat de doorwerking van dit leerstuk naar de fiscale bestuurlijke boete veel vragen oproept.3 Ten slotte volgt in paragraaf 7.5 een samenvatting.
Omwille van de leesbaarheid zal ik in het vervolg niet steeds ‘belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige’ schrijven, maar mij beperken tot ‘belastingplichtige’. Ook zal ik niet steeds ‘inspecteur, heffingsambtenaar, ontvanger of invorderingsambtenaar’ schrijven, maar mij beperken tot ‘inspecteur’. Het moge voor zich spreken, dat ik hiermee niet bedoel de inhoudingsplichtige, de belastingschuldige respectievelijk de heffingsambtenaar, ontvanger of invorderingsambtenaar uit te sluiten.