Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.2
7.2 Bewijs en feitenvaststelling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940421:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 mei 1985, BNB 1985/206 en Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 104.
Happé 2010 e.a., p. 390, Pechler 2009, p. 145. Ook ten aanzien hiervan geldt echter dat het bestaan en de inhoud van het recht als zodanig uiteraard wel uit de een of andere bron kenbaar moet zijn.
Aldus ook: Schuurmans 2005, p. 18.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, par. 2.17. Of, in de gevleugelde woorden van E. Aardema (in zijn hoedanigheid als belastingrechter): ‘Geef mij de feiten en ik geef u het recht’.
Aldus ook: Schuurmans 2005, p. 16 en Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6.
Zie hierover – in het kader van het strafrecht – ook Nijboer 2011, par. 1.2.2 en 1.3. Dat partijen het onderling eens kunnen zijn over bepaalde feiten, is een andere kwestie: in dat geval behoeven die feiten überhaupt geen bewijs (zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.7.4.2 en paragraaf 7.3.7.2).
In dezelfde zin: Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 103.
Zie hierover nader paragraaf 7.3.7.2.
Vgl. HR 8 april 2016, V-N 2016/22.16, waarin in werkelijkheid (aantoonbaar) zakelijk was gehandeld, maar gelet op de wettelijk geformuleerde grenzen toch een fictief legaat moest worden aangenomen.
Dát er (niet) voldaan wordt aan de wettelijke omschrijving, en dát de betreffende wetsfictie dus (niet) van toepassing is, moet uiteraard als zodanig nog wel worden vastgesteld.
In hoofdstuk 1 heb ik de volgende definitie van ‘bewijs’ geformuleerd:
‘(Geslaagd) bewijs is de situatie waarin een van tevoren vastgesteld minimumniveau aan waarschijnlijkheid of geloofwaardigheid is gehaald, aan de hand van – al dan niet limitatief voorgeschreven – bewijsmiddelen.’
Van belang is dat bewijs alleen ziet op de voor de te nemen beslissing relevante feiten en omstandigheden. De beantwoording van rechtsvragen behoeft geen bewijs, omdat het recht eenvoudigweg is wat het is.1 Voor een rechtsoordeel kan geen bewijs worden geleverd en dus ook niet worden verlangd.2 Alleen feiten en omstandigheden zijn dus vatbaar voor bewijslevering.3 Het is uiteindelijk de rechter die de feiten vaststelt met toepassing van de geldende bewijsregels. Vervolgens past hij op die vastgestelde feiten het recht toe zoals dat geldt, ongeacht de vraag wat omtrent dat recht door partijen naar voren is gebracht.4
Omdat de definitie uitgaat van een van tevoren vastgesteld minimumniveau aan waarschijnlijkheid, is er steeds een bepaalde onzekerheidsmarge aanwezig.5 Dat is alleen anders wanneer er 100 % zekerheid bestaat, een situatie die goed beschouwd maar weinig voorkomt.6 De kans bestaat dus, dat bepaalde feiten en omstandigheden wel voldoende geloofwaardig zijn, of voldoende waarschijnlijk worden geacht, maar in werkelijkheid toch niet waar zijn. Andersom bestaat uiteraard ook de kans dat bepaalde feiten en omstandigheden, hoewel zij wel waar zijn, vanwege het niet halen van het vereiste niveau aan waarschijnlijkheid, in rechte uiteindelijk niet komen vast te staan.7 Het is deze paradox die het belang van het bewijs indringend aangeeft.
Om vast te kunnen staan, zal een feit dus voor waar aangenomen moeten worden, en daarom enig bewijs behoeven. Sommige feiten, bijvoorbeeld feiten van algemene bekendheid,8 zullen evenwel geen nader bewijs behoeven: het enkele stellen, aanvoeren of noemen door een partij wordt dan aangemerkt als voldoende. Het benodigde minimumniveau uit mijn definitie wordt door de enkele stelling of bewering dan al gehaald. Het vereiste (aanvullende) bewijs kan zelfs nihil zijn: bij wetsficties9 doet de werkelijkheid er niet meer toe, zodat er ook geen mate van geloofwaardigheid of waarschijnlijkheid meer is vereist.10 Het enkele (niet) voldoen aan de wettelijke omschrijving maakt dat op voorhand het bewijs geacht wordt (niet) te zijn geleverd.11