Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.A.1
1. Waarom overdrachtsbelasting?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477367:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. r.o. 3.2 van de uitspraak HR 7 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3252, BNB 1997/206, NFX 1997/ 122, alwaar de Hoge Raad overweegt: ‘(…) Het is in strijd met de tekst van de Wet (op de belastingen van rechtsverkeer, JR), nu er geen reden is een verkrijging bij ruilverltaveling niet aan te merken als verkrijging in de zin van de Wet.’ Zie over deze uitspraak tevens onderdeel C.5 van hfdst. II van de vorige grenspost, alsmede onderdeel B.3.b hierna. Zie tevens T. Blokland, ‘Toedeling bij ruilverkaveling vormt geen zaaksvervanging maar een niet te negeren eigendomsverkrijging’, p. 7.
De hierna in onderdeel B.2 te bespreken Toelichting WBR verwoordt het in § 17 als volgt: Volgens de Registratiewet 1917 werd in geval van ruiling van onroerende zaken het recht van overdracht geheven over de verkoopwaarde van één van de loten (‘les soultes’, JR), bij verschil over die van het hoogste lot. Onder de Wet op belastingen van rechtsverkeer is sprake van twee verkrijgingen. Mitsdien wordt geheven over de waarde in het economisch verkeer van elk van de loten, welke waarde ten minste gelijk is aan de tegenprestatie.’
Na voorgaande historische beschouwing is het, alvorens de huidige stand van zaken met betrekking tot de overdrachtsbelasting op kavelruil-terrein te onderzoeken, thans tijd om de belangrijke voorvraag ‘waarom overdrachtsbelasting?’ te stellen en te beantwoorden. Waarom is het onderwerp ‘overdrachtsbelasting’ relevant voor de kavelruil? Ondanks de grote mate van voorspelbaarheid van het te geven antwoord, is het stellen van de vraag naar mijn mening opportuun, al ware het enkel om de positionering van de kavelruil op fiscaal gebied van aanvang af goed in beeld te hebben. Net als bij de civielrechtelijke aspecten, dienen ook de fiscale aspecten van de kavelruil immers op een logische, systematische en begrijpelijke wijze te worden onderzocht. Een eerste stap in dit proces is het controleren en zo nodig aanvullen van de fiscale bagage van de reizigers. Het stellen van een enigszins voor de hand liggende voorvraag vormt daarbij een onmisbare (tussen)stap.
Voor de kavelruil is de overdrachtsbelasting van groot belang, gezien het feit dat er binnen deze vorm van landinrichting inbreng, toedeling en ruiling van onroerende zaken plaatsvinden, of, conform de definitie van de kavelruil uit artikel 85 lid 1 WILG: samenvoeging, verkaveling en vervolgens verdeling van onroerende zaken. De verkrijging van onroerende zaken krachtens landinrichting in het algemeen en kavelruil in het bijzonder levert daarmee een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 2 WBR op. Dit geldt zowel voor de herverkaveling als voor de kavelruil als species van het genus herverkaveling. De titelzuiverende werking van de akte van herverkaveling doet aan deze conclusie niets af. Onder meer in de rechtspraak is bepaald dat de verkrijging in het kader van (de toen nog) ruilverkaveling, ondanks de titelzuivering, wordt aangemerkt als een (separate) verkrijging voor de overdrachtsbelasting.1
Wellicht ten overvloede: naast de ruilverkaveling en de kavelruil, wordt uiteraard ook de civielrechtelijke ruil uit artikel 7:49 BW bestreken door de overdrachtsbelasting. Ieder van de ruilende partijen is, onder het regime van de WBR, bij een verkrijging krachtens het ‘normaaltype’ ruil de volle overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van de door hem verkregen onroerende zaak, dan wel de tegenprestatie daarvoor, indien die hoger is. Dit is een breuk met de onder de Registratiewet 1917 geldende methodiek, waar het recht van overdracht geheven werd over de waarde van êên van de verkregen zaken en bij verschil in waarde over de geruilde zaak die de hoogste waarde vertegenwoordigde.2 De verkrijgingen in het kader van de kavelruil zijn dus, ongeacht het feit of er sprake is van rechtstreekse wederkerigheid, handelingen die in beginsel een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting opleveren, maar onder bepaalde voorwaarden zijn vrijgesteld (zie onderdeel B hierna).
De vraag ‘waarom overdrachtsbelasting?’ is hiermee mijns inziens meer dan voldoende beantwoord: de positie van de overdrachtsbelasting binnen de kavelruil is een prominente. Wie de kavelruil toepast, komt onvermijdelijk met overdrachtsbelastingaspecten in aanraking. Advisering omtrent de toepassingsmogelijkheden en reikwijdte van de kavelruil dient derhalve onvermijdelijk gepaard te gaan met (enig) onderzoek op fiscaal terrein. De (agro)juridisch adviseur kan daarbij niet zonder de nodige fiscale kennis. Slechts door beide ‘talen’ (civiel en fiscaal) op niveau te spreken kan een afgewogen totaaloordeel over de (voorgenomen) kavelruil gegeven worden.