Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.4.2
12.4.2 Nieuw criterium?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497123:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A-G Machielse, conclusie bij HR 16 september 2008, NJ 2008, 511; JOL 2008/655, pt. 3.9.
Bij de belastingheffing kan worden gedacht aan formeelrechtelijke verplichtingen zoals de aangifteplicht en de bijkomende verplichtingen, als gevolg van de keuze om zich in een land te vestigen of daar (belaste) activiteiten te verrichten. Vgl. Thomas, noot onder EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran and Francis), FED 2008/81, pt. 2.
Alkema, noot onder EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25.
Vgl. HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes), inzake de gedwongen afgifte van een bedrijfsafvalwaterrapportage en het belastend gebruik ervan nadien.
Myjer meent dat aan de weigering van de kentekenhouder om inlichtingen te geven het weerlegbaar vermoeden kan worden verbonden dat hijzelf de verkeersovertreding heeft begaan. Een dergelijke benadering zou meer recht doen aan de rechten van de verdediging. Vgl. A-G Machielse, conclusie bij HR 16 september 2008, NJ 2008, 511; JOL 2008/655, pt. 3.9.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 117.
De aanvaarding door het EHRM in O’Halloran en Francis van een bijzonder regime in strafzaken voor (kleine) verkeersdelicten via de band van de op de verdachte uitgeoefende dwang, sluit in zich dat ook (publieke belangen die schuilgaan achter) andere bijzondere rechtsregimes aanleiding kunnen zijn om de gelding van het zwijgrecht te beperken of afhankelijk te stellen van de (maatschappelijke) risico’s die geacht kunnen worden te zijn verbonden met de activiteiten in de branche waarin burgers zich begeven.1 In § 57 van het arrest maakt het Hof ook een duidelijke toespeling op een eigen rechtsregime. Dit zou betekenen dat de toepassing van art. 6 EVRM verschilt naarmate burgers in verschillende hoedanigheden (bestuurder, belastingplichtige, vergunninghouder et cetera) worden gedwongen om mee te werken aan een (punitief) onderzoek.2
In zijn noot onder het arrest wijst Alkema erop dat het Hof in zijn rechtspraak dan al een differentiatie in rechtsbescherming heeft aanvaard voor bijvoorbeeld beroepsgroepen met een eigen tuchtrecht, zoals artsen.3 Ook kan volgens hem worden gedacht aan houders van vergunningen voor risicovolle activiteiten op milieugebied.4 Die groepen hebben met elkaar gemeen dat zij permanent verplicht kunnen worden om gegevens te verstrekken ten behoeve van de volksgezondheid of het milieu. De impliciete erkenning door het Hof in O’Halloran en Francis van een eigen rechtsregime staat dan ook niet op zichzelf.
Ik wijs ook op de dissenting opinion van rechter Myjer bij het arrest. Hij meent dat het Hof stilzwijgend een riskant nieuw criterium bezigt. Dat criterium zou meebrengen dat het algemeen belang bij de opsporing en bestraffing van delicten een factor van betekenis wordt voor de opheffing van het zwijgrecht.5 In dit verband trekt de aandacht dat het Hof kort ervoor in Jalloh zoals gezegd het publieke belang van het onderzoek naar en de bestraffing van begane overtredingen expliciet als toetsingsfactor aanmerkt.6 Dit zijn aanwijzingen dat het Hof in zijn nemo tenetur-rechtspraak kennelijk geneigd is om in toenemende mate rekening te houden met het publieke belang bij de opsporing en bestraffing van delicten. Hierbij teken ik aan dat het publieke belang in de nemo tenetur-zaken na O’Halloran en Francis geen rol speelt. Of deze ontwikkeling zich doorzet, is nog te bezien.
Parallelle toepassing in punitieve belastingzaken; twijfelpunten
Tegen parallelle toepassing van dit criterium in punitieve belastingzaken pleit vooral dat (regulering van) de belastingheffing weliswaar behoort tot de kerntaken van de overheid, maar dat burgers (en bedrijven) niet werkelijk ervoor kunnen ‘kiezen’ om zich aan enig belastingregime te onderwerpen. Hoogstens tracht een deel van hen zich daaraan te onttrekken door fiscale grensverkenning of botweg belastingontduiking. Bovendien is in belastingzaken sprake van veel ruimere meewerkverplichtingen en aanmerkelijk zwaardere sanctiedreiging dan aan de orde was in O’Halloran en Francis.