Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.3.3
4.3.3.3 Eigen mening: ongerechtvaardigde verrijking alleen bij verrijkingen uit vermogen verarmde
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500046:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 6:104 geeft de rechter de discretionaire bevoegdheid om de geleden schade te begroten op de verrijking van degene die onrechtmatig heeft gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd. Volgens de Hoge Raad volgt uit het artikel dat schade moet zijn geleden, zie HR 24 december 1993, NJ 1995/421 (Wayen-Scheers/Naus). Dat staat er echter niet aan in de weg dat de onrechtmatige daad een bron kan zijn van een verbintenis tot voordeelsafgifte in gevallen waarin geen schade is geleden. In een dergelijk geval is dan geen sprake van schadevergoeding en schadebegroting. In een dergelijke benadering dient de verplichting tot voordeelsafgifte te worden gebaseerd op een andere grondslag dan artikel 6:104. Zie daarover par. 4.3.3.4.
Schoordijk 1999, p. 15.
Het enkele feit dat een vermogensverschuiving een rechtvaardiging behoeft en zonder rechtvaardiging ongerechtvaardigd is, bekent naar mijn mening niet dat artikel 6:212 logischerwijs alleen betrekking heeft op vermogensverschuivingen. Een dergelijke redenering miskent dat artikel 6:212 in theorie ook dermate ruim kan worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op andere gevallen dan vermogensverschuivingen. Echter, hoewel een dergelijke ruime uitleg mogelijk is, is zij naar mijn mening niet gewenst.
Linssen 2001, p. 480.
Wat kunnen wij leren van bovenstaande uiteenzetting over het verschil tussen de bronnen en inhoud van verbintenissen? Net zoals geldt voor het Engelse en Duitse recht, geldt ook voor het Nederlandse recht dat de verbintenis tot afdracht van een verrijking (d.w.z. een voordeel) kan voortvloeien uit meerdere bronnen. Ook naar Nederlands recht kunnen partijen een overeenkomst sluiten die op een partij de verbintenis legt om een verrijking af te dragen aan de andere partij. En aangezien voor het aanmerken van een handeling als ‘onrechtmatig’ niet is vereist dat schade is geleden, is het denkbaar dat ook naar Nederlands recht de onrechtmatige daad een bron is van de verbintenis tot afdracht van een verrijking (een voordeel) – zelfs als degene jegens wie onrechtmatig is gehandeld geen schade heeft geleden.1
Het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking hoeft daarom ook niet zo ruim te worden uitgelegd dat alle gevallen waarin het wenselijk is dat een verrijking wordt afgedragen onder het bereik vallen van artikel 6:212. Het is daarom ook niet nodig dat artikel 6:212 altijd de grondslag vormt voor een vordering tot afdracht van een verrijking die is ontstaan door laakbaar gedrag.
Het is dus niet nodig dat een vordering tot afdracht van een verrijking altijd op artikel 6:212 kan worden gegrond. Maar is het ook wenselijk dat de verbintenis tot afdracht van bepaalde verrijkingen niet op artikel 6:212 wordt gebaseerd?
In dit verband moet het volgende worden bedacht. Een beperking van artikel 6:212 tot verrijkingen die voortvloeien uit het vermogen van de verarmde heeft als voordeel dat een systematische invulling kan worden gegeven aan het vereiste dat een verrijking ongerechtvaardigd is. Immers, de verrijkte geniet een voordeel dat in principe aan de verarmde toekwam. Men kan er dan van uitgaan dat de verrijking in beginsel thuishoort in het vermogen van de verarmde. De verrijking die voortvloeit uit het vermogen van de verarmde heeft daarom een rechtvaardiging nodig, die past in het systeem van het Burgerlijk Wetboek.2 Zonder uitdrukkelijke rechtvaardiging is de verrijking ongerechtvaardigd. De vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, lost zich dan op in een enkel criterium: bestaat een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving? Ik meen dat dit enkele criterium een inzichtelijke omlijning van artikel 6:212 mogelijk maakt. Een dergelijke benadering brengt overigens met zich dat in gevallen waarin een verrijking niet uit het vermogen van de verarmde voortvloeit, terwijl afdracht van de verrijking wel wenselijk is, een andere bron dan ongerechtvaardigde verrijking wordt aangewezen.
Het is niet mogelijk om met een enkel criterium te beoordelen of een verrijking ongerechtvaardigd is als artikel 6:212 ook ziet op verrijkingen die niet voortvloeien uit het vermogen van de verarmde. In dat geval moet de vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, worden beantwoord aan de hand van andere, ruimere criteria, zoals de redelijkheid, zorgvuldigheidsnormen, verkeersopvattingen en beginselen die ten grondslag liggen aan de regelingen van risicoaansprakelijkheid. De omlijning van artikel 6:212 kan dan naar mijn mening niet meer op een duidelijke of eenvoudige wijze plaatsvinden.
In het Nederlandse recht moet daarom een onderscheid worden gemaakt tussen verrijkingen die voortvloeien uit het vermogen van de verarmde en andere verrijkingen.3 Dit betekent dat ik mij aansluit bij Linssen, Schoordijk en Verhagen die de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking slechts willen toestaan bij verrijkingen die voortvloeien uit het vermogen van de verarmde. Ik meen dat het wenselijk is dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alleen in die gevallen kan ontstaan.
Het volgende verdient nog te worden opgemerkt. De opvatting van Nieskens-Isphording komt in grote lijnen overeen met die van Linssen, Schoordijk en Verhagen. Echter, anders dan laatstgenoemde schrijvers doen, beperkt Nieskens-Isphording – met een beroep op de parlementaire geschiedenis – artikel 6:212 tot gevallen waarin bestanddelen uit het vermogen van de verarmde zich hebben verplaatst naar het vermogen van de verrijkte. Een dergelijke beperking lijkt mij niet gewenst. Zoals Linssen aantoont, zou dan bijvoorbeeld geen vergoeding kunnen worden gevorderd voor het onbevoegde gebruik van zaken van de verrijkingsschuldeiser die door dit gebruik geen concrete schade heeft gelden. In het navolgende wordt daarom van een ruim begrip van vermogensverschuiving uitgegaan. Een vermogensverschuiving is een verrijking die voortvloeit uit het vermogen van de verarmde.4
Kortom, de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan worden omlijnd door haar te beperken tot verrijkingen die voortvloeien uit het vermogen van de verarmde. Deze beperking is mogelijk door een bepaalde invulling te geven aan de woorden ‘verrijking’ en ‘ten koste van een ander’ in artikel 6:212. Vervolgens kan het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ daarop worden afgestemd. In paragraaf 4.4 en 4.5 onderzoek ik welke precieze invulling van deze vereisten wenselijk is. Eerst moet echter nog een opmerking worden gemaakt over gevallen waarin het wellicht wenselijk is dat afdracht van een verrijking, die vaak is ontstaan door een onrechtmatige daad, kan worden gevorderd terwijl geen sprake is van een vermogensverschuiving. Dat gebeurt in de volgende subparagraaf (4.3.3.4).