Het bij schriftuur van 2 juli 2024 ingediende eerste middel is bij aanvullende schriftuur van 12 juli 2024 ingetrokken.
HR, 19-11-2024, nr. 24/01251 Br
ECLI:NL:HR:2024:1685
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
24/01251 Br
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1685, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1029
ECLI:NL:PHR:2024:1029, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1685
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0286
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Belgische autoriteiten op diverse voorwerpen (o.m. laptops en telefoons) onder klager t.z.v. verdenking van oplichting, witwassen en computervredebreuk, waarna klager o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv klaagschrift indient. Geheimhouding EOB. Kon Rb over klaagschrift oordelen zonder zelf kennis te nemen van EOB? Uit overwegingen Rb volgt dat OM het EOB niet aan Rb heeft overgelegd, maar dat OvJ heeft volstaan met het in grote lijnen schetsen van inhoud van EOB t.b.v. beoordeling van klaagschrift door Rb. Rb heeft aanhoudingsverzoek, dat erop was gericht dat OvJ alle stukken die betrekking hebben op zaak zou overleggen en dat Rb daarvan kennis zou nemen, afgewezen, omdat naar oordeel van Rb (nu OvJ bekend is met uitgevaardigd EOB) van bestaan van EOB moet worden uitgegaan. Vervolgens heeft Rb over klaagschrift geoordeeld zonder zelf kennis te nemen van EOB. Verplichting tot geheimhouding strekt zich echter niet uit tot rechter die over klaagschrift moet oordelen. Die rechter moet dat stuk immers in beoordeling van klaagschrift betrekken. Kennelijk oordeel Rb dat raadkamer zonder kennisneming van EOB over klaagschrift kon oordelen, is dus niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01251 Br
Datum 19 november 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2024, nummer RK 23/029712, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vier cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste cassatiemiddel is bij aanvullende schriftuur ingetrokken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank het klaagschrift heeft beoordeeld zonder daarbij kennis te nemen van het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB).
2.2.1
Bij de klager zijn ter uitvoering van een EOB dat is uitgevaardigd door de autoriteiten van België, diverse voorwerpen inbeslaggenomen. Namens de klager is een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend.
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer hebben de raadsman van de klager en de officier van justitie daar onder meer aangevoerd:
“De officier van justitie voert – zakelijk weergegeven – als volgt het woord:
(...) Subsidiair verzoek ik u het klaagschrift ongegrond te verklaren. Er zijn geen argumenten geuit om te twijfelen aan of er een EOB is. Het EOB dient geheim te worden gehouden en ik weet dat er een EOB is.
De raadsman voert – zakelijk weergegeven – als volgt het woord ter verdediging:
(...) Of er een EOB is, dient getoetst te worden door de rechtbank. Ik verzoek u (...) de zaak aan te houden om meer stukken te overleggen.”
2.2.3
Dat proces-verbaal houdt verder in dat de raadsman van de klager daar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“10. Bij de stukken bevindt zich geen EOB of EBB. Hierdoor kan niet getoetst worden:
a. Of er een EOB of EBB is en of met de inbeslagneming van de goederen onder cliënt gevolg wordt gegeven aan dat EOB of EBB?
b. Of het EOB of EBB aan de formele eisen voldoet? Wie heeft het uitgevaardigd? Is dat een rechterlijke autoriteit? Wat is de inhoud ervan? Wie heeft het ondertekend?
c. Is het EOB erkend door de officier van justitie?
d. Had de officier van justitie mogen erkennen gezien zijn plicht om marginaal te toetsen gelet op art. 5.4.3 lid 5?
e. Niet onderzocht kan worden of één van de weigeringsgronden zich voordoet.
11. Het OM heeft ruim gelegenheid gehad het dossier te completeren. Bij de voorbereiding zal haar ook zijn opgevallen dat het dossier incompleet is.”
2.2.4
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt daarover onder meer in:
“4. Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.1.
Klager wordt verdacht van het plegen van strafbare feiten, namelijk oplichting, phishing en witwassen. Dit komt overeen met de volgende artikelen uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht: art. 326, 138ab en 420bis Sr. Het gaat om zoekmonitorfraude. De modus operandi bestaat erin dat slachtoffers die willen internetbankieren en daartoe als zoekterm de naam van hun bank en ‘internetbankieren’ ingeven, als eerste zoekresultaat een internetadres te zien krijgen en daarop klikken. Vervolgens komen ze op een site terecht die als twee druppels water lijkt op de site van hun bank. De valse website is gelinkt aan een phishing beheerderspanel dat de verdachte (klager) toestaat om alle gegevens die het slachtoffer ingeeft te kunnen bekijken. Op die manier worden de inlognamen en paswoorden achterhaald, waarmee de verdachte vervolgens zelf aankopen kan doen via de bankrekening van het slachtoffer.
Van deze feiten is meerdere keren aangifte gedaan bij de Belgische politie. Daarop is onderzoek verricht naar de valse websites en naar rekeningnummers waarheen geld is overgemaakt vanuit de bankrekeningen van de slachtoffers. Uit het onderzoek bleek onder andere dat een van de rekeningnummers waarheen geld ging, van klager was.
In het uit België ontvangen EOB is specifiek verzocht om het in beslag nemen van digitale gegevensdragers, documenten met betrekking tot bankrekeningen of het bezit van virtuele munten en betaalkaarten. Daarnaast moest gelet worden op de aanwezigheid van waardevolle of luxe goederen, omdat er ook verlof is verleend tot het leggen van conservatoir beslag.
Volgens art. 19 lid 2 van richtlijn 2014/41/EU (EOB richtlijn) dient geheimhouding van het EOB te worden gegarandeerd, waardoor het EOB niet aan klager verstrekt mag worden. Ten behoeve van beoordeling door de rechtbank is de inhoud hierboven in grote lijnen geschetst.(...)
4.3.
Inhoudelijk stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De inbeslaggenomen goederen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en de inbeslagname was rechtmatig. Ondanks dat bij de beoordeling van het klaagschrift niet de vraag aan de orde is of het belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert, is dat strafvorderlijke belang wel aanwezig. Het gaat namelijk om waarheidsvinding en/of om het wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Daarnaast moet het niet hoogst onwaarschijnlijk worden geacht dat de (Belgische) strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de beslagen geldbedragen zal uitspreken. Deze zouden immers kunnen worden aangemerkt als vruchten verkregen uit criminele activiteiten. Het is ook denkbaar dat geoordeeld zal worden dat het geld moet worden geretourneerd aan de slachtoffers.
5. Beoordeling
(...)
5.2.
De officier van justitie heeft verklaard dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd. De inhoud daarvan is aan de officier van justitie bekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat voldoende om van het bestaan van dat EOB uit te gaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsman van klager om aanhouding van de beslissing om het EOB te kunnen toetsen af.
(...)
5.7.
De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden. Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen over de erkenning en uitvoering.
5.8.
Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, kan niet anders dan marginaal zijn en betreft alleen de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt. De officier van justitie heeft met juistheid verwezen naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad op dit onderdeel.
Het uitgangspunt is wederzijdse erkenning, waaruit voortvloeit dat er maar beperkt ruimte is om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB, en waarmee ook de ruimte voor rechterlijke toetsing beperkter is.
(...)
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar klager. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
5.10.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5.4.4 Sv voor.
5.11.
De in beslag genomen voorwerpen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft. De Belgische autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het beslag. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
2.3
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een EOB voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. In deze klaagschriftprocedure staat ter beoordeling aan de rechter of zich – gelet op artikel 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast, waarbij de rechter zich moet beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat in de klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, rechtsoverweging 4.2.2 en 4.2.3.)
2.4
De Hoge Raad is in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653 ingegaan op de geheimhouding die wordt voorgeschreven door Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU). In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.4.2 Uitgangspunt van artikel 19 Richtlijn 2014/41/EU is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Om die geheimhouding hoeft, zo volgt ook uit de (...) wetsgeschiedenis, niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van de verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
2.4.3
De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv.
2.4.4
In de rolbeslissing van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 is, in verband met de toepassing van artikel 23 lid 6 Sv, overwogen dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. Een dergelijk geval kan zich voordoen als (i) de kennisneming van en een eventuele reactie op een specifiek onderdeel van het EOB of een bepaald bij het EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor de (...) beoordeling van het klaagschrift door de rechter, en (ii) er aanleiding bestaat te vermoeden dat de belangen van de uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als de kennisneming van de betreffende informatie aan de betrokkene zou worden toegestaan. In zo’n geval legt, alvorens de rechtbank beslist over de kennisneming van het stuk, het openbaar ministerie – al dan niet op grond van een daartoe krachtens artikel 23 lid 1 Sv door de raadkamer gegeven bevel – de hiervoor bedoelde vraag voor aan de uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat de uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van artikel 23 lid 6 Sv in zoverre achterwege.
2.4.5
Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv, kan de betrokkene aan de raadkamer het verzoek doen op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan. Als zo’n verzoek wordt gedaan, beoordeelt de raadkamer – mede op grond van de stukken waarvan de raadkamer kennisneemt – of daartoe de noodzaak bestaat. De rechter is niet gehouden de beslissing op het verzoek te motiveren als de verplichting tot geheimhouding jegens de uitvaardigende staat zich daartegen verzet.”
2.5
Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat het openbaar ministerie het EOB niet aan de rechtbank heeft overgelegd, maar dat de officier van justitie heeft volstaan met het in grote lijnen schetsen van de inhoud van het EOB ten behoeve van de beoordeling van het klaagschrift door de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, dat erop was gericht dat de officier van justitie alle stukken die betrekking hebben op de zaak zou overleggen en dat de rechtbank daarvan kennis zou nemen, afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank – nu de officier van justitie bekend is met het uitgevaardigde EOB – van het bestaan van het EOB moet worden uitgegaan. Vervolgens heeft de rechtbank over het klaagschrift geoordeeld zonder zelf kennis te nemen van het EOB. Uit wat onder 2.4 is overwogen volgt echter dat de verplichting tot geheimhouding zich niet uitstrekt tot de rechter die over het klaagschrift moet oordelen. Die rechter moet dat stuk immers in de beoordeling van het klaagschrift als onder 2.3 bedoeld betrekken. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de raadkamer zonder kennisneming van het EOB over het klaagschrift kon oordelen, is dus niet begrijpelijk.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag. Middel klaagt dat EOB zich kennelijk niet bij de stukken waarover de rechtbank beschikt bevindt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing naar de rechtbank.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01251 Br
Zitting 15 oktober 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de klager
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft het beklag van de klager - als bedoeld in art. 5.4.10 Sv in verbinding met art. 552a Sv - strekkende tot teruggave aan hem van een zestiental naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel van de Belgische autoriteiten inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en L.E.G. van der Hut, advocaat in Den Haag, heeft drie1.middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het derde middel
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen en dat de officier van justitie in strijd met art. 23, vijfde lid, Sv niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft overgelegd, zodat de raadkamer die over het klaagschrift heeft geoordeeld ten onrechte niet van alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft kennisgenomen alvorens over het klaagschrift te oordelen.
3.2
Door de raadsman van de klager is blijkens de in raadkamer van 14 februari 2024 overgelegde pleitnota, voor zover van belang, het volgende aangevoerd:
“10. Bij de stukken bevindt zich geen EOB of EBB. Hierdoor kan niet getoetst worden:
a. Of er een EOB of EBB is en of met de inbeslagneming van de goederen onder cliënt gevolg wordt gegeven aan dat EOB of EBB?
b. Of het EOB of EBB aan de formele eisen voldoet? Wie heeft het uitgevaardigd? Is dat een rechterlijke autoriteit? Wat is de inhoud ervan? Wie heeft het ondertekend?
c. Is het EOB erkend door de officier van justitie?
d. Had de officier van justitie mogen erkennen gezien zijn plicht om marginaal te toetsen gelet op art. 5.4.3 lid 5?
e. Niet onderzocht kan worden of één van de weigeringsgronden zich voordoet.11. Het OM heeft ruim gelegenheid gehad het dossier te completeren. Bij de voorbereiding zal haar ook zijn opgevallen dat het dossier incompleet is.”
3.3
Het proces-verbaal van de raadkamer houdt verder, voor zover van belang, het volgende in:
“De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:
(…) Subsidiair verzoek ik u het klaagschrift ongegrond te verklaren. Er zijn geen argumenten geuit om te twijfelen aan of er een EOB is. Het EOB dient geheim te worden gehouden en ik weet dat er een EOB is.”
De raadsman voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord ter verdediging:
(…) Of er een EOB is, dient getoetst te worden door de rechtbank. Ik verzoek u primair het klaagschrift ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzoek ik u de zaak aan te houden om meer stukken te overleggen.”
3.4
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in2.:
“4. Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.1.
Klager wordt verdacht van het plegen van strafbare feiten, namelijk oplichting, phishing en witwassen. Dit komt overeen met de volgende artikelen uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht: art. 326, 138ab en 420bis Sr. Het gaat om zoekmonitorfraude. De modus operandi bestaat erin dat slachtoffers die willen internetbankieren en daartoe als zoekterm de naam van hun bank en ’internetbankieren’ ingeven, als eerste zoekresultaat een internetadres te zien krijgen en daarop klikken. Vervolgens komen ze op een site terecht die als twee druppels water lijkt op de site van hun bank. De valse website is gelinkt aan een phishing beheerderspanel dat de verdachte (klager) toestaat om alle gegevens die het slachtoffer ingeeft te kunnen bekijken. Op die manier w orden de inlognamen en paswoorden achterhaald, waarmee de verdachte vervolgens zelf aankopen kan doen via de bankrekening van het slachtoffer.
Van deze feiten is meerdere keren aangifte gedaan bij de Belgische politie. Daarop is onderzoek verricht naar de valse websites en naar rekeningnummers waarheen geld is overgemaakt vanuit de bankrekeningen van de slachtoffers. Uit het onderzoek bleek onder andere dat een van de rekeningnummers waarheen geld ging, van klager was.
In het uit België ontvangen EOB is specifiek verzocht om het in beslag nemen van digitale gegevensdragers, documenten met betrekking tot bankrekeningen of het bezit van virtuele munten en betaalkaarten. Daarnaast moest gelet worden op de aanwezigheid van waardevolle of luxe goederen, omdat er ook verlof is verleend tot het leggen van conservatoir beslag.
Volgens art. 19 lid 2 van richtlijn 2014/41/EU (EOB richtlijn) dient geheimhouding van het EOB te worden gegarandeerd, waardoor het EOB niet aan klager verstrekt mag worden. Ten behoeve van beoordeling door de rechtbank is de inhoud hierboven in grote lijnen geschetst.(…)
5. Beoordeling
(…)
5.2.
De officier van justitie heeft verklaard dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd. De inhoud daarvan is aan de officier van justitie bekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat voldoende om van het bestaan van dat EOB uit te gaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsman van klager om aanhouding van de beslissing om het EOB te kunnen toetsen af.
Inhoudelijk
5.7.
De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden. Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen over de erkenning en uitvoering.
5.8.
Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, kan niet anders dan marginaal zijn en betreft alleen de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt. De officier van justitie heeft met juistheid verwezen naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad op dit onderdeel
Het uitgangspunt is wederzijdse erkenning, waaruit voortvloeit dat er maar beperkt ruimte is om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB, en waarmee ook de ruimte voor rechterlijke toetsing beperkter is.
"Bij de behandeling van een klaagschrift ex art. 5.4.10.1 jo. art. 552a Sv doet rechter geen onderzoek naar gronden voor uitvaardigen EOB. waarvan uitvoering heeft geleid tot indiening klaagschrift. Rechter toetst evenmin proportionaliteit van inbeslagneming van daarop volgende overdracht van voorwerpen die bewijsmateriaal betreffen waarop EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling aan rechter of zich grond voordoet voor weigering of uitstel van erkenning of uitvoering van EOB. Daarnaast kan rechter in voorkomende gevallen beoordelen of bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan EOB rechtmatig is toegepast. Rechter moet zich daarbij beperken tot onderzoek naar formaliteiten waaraan inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan rechtmatigheid van voortduren van beslag moeten, gelet op beginsel van wederzijdse erkenning, door rechter van uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
Verder staat in klaagschriftprocedure ter beoordeling of in beslag genomen voorwerpen bewijsmateriaal betreffen waarop EOB betrekking heeft en die uitvaardigende staat met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat EOB globaal mag zijn omschreven. Bij beoordeling klaagschrift is dus niet de vraag aan de orde of belang van strafvordering voortduren van beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met uitvaardiging van EOB hel belang van strafvordering in uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar klager. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
5.10.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5.4.4 Sv voor.
5.11.
De in beslag genomen voorwerpen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft. De Belgische autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het beslag. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
3.5
In de aanvullende toelichting op het middel wordt wat betreft de eerste in het middel geformuleerde klacht aangevoerd dat de officier van justitie in raadkamer enkel heeft medegedeeld dat het EOB geheim dient te worden gehouden, terwijl niet blijkt dat de Belgische autoriteiten daar specifiek om hebben verzocht. Uit hetgeen onder 3.3 en 3.4 is weergegeven zou verder kunnen worden afgeleid dat de raadkamer niet over het EOB beschikt en de officier van justitie het EOB derhalve niet aan de raadkamer heeft overgelegd. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek miskend dat zij zich niet uitsluitend op mondelinge mededelingen van de officier van justitie kan/mag verlaten wat betreft de toetsing van (onderdelen van) het EOB. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de rechter om te beoordelen of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB en of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast, in elk geval indien - zoals in het onderhavige geval - door of namens degene op wie het EOB betrekking heeft dit expliciet aan de rechter verzoekt. Bovendien zou de overweging van de rechtbank uitgaan van een te beperkte opvatting van het standpunt van de raadsman doordat alleen in wordt gegaan op het al dan niet bestaan van het EOB. In verband met de tweede deelklacht wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat door het door de officier van justitie niet aan de raadkamer overleggen van alle stukken en het door de raadkamer niet kennisnemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken alvorens over het klaagschrift te oordelen, in strijd is gehandeld met het bepaalde in de beschikking van de Hoge Raad van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, rov. 2.4.3.
3.6
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende strafvorderlijke bepalingen van belang:
“Artikel 23
1 De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.
(…)
5 Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6 Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.
Artikel 5.4.3 (vatbaar voor erkenning)1 Vatbaar voor erkenning is een Europees onderzoeksbevel dat ten minste de volgende informatie bevat:
a. gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing, de validerende autoriteit;
b. het onderwerp en de redenen van het bevel;
c. de beschikbare noodzakelijke informatie over de betrokkene(n);
d. een beschrijving van het strafbare feit dat het voorwerp vormt van het onderzoek of de strafzaak, alsmede de wettelijke kwalificatie van het feit naar het recht van de uitvaardigende staat;
e. een beschrijving van de gevraagde bevoegdheid en het te verkrijgen bewijsmateriaal.2 Het bevel dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.(…)
Artikel 5.4.4 (weigeringsgronden)1 De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:
a. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan een verschoningsrecht, danwel onverenigbaar is met regels ter vaststelling en beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media;
b. door de uitvoering van het bevel wezenlijke belangen van nationale veiligheid worden geschaad of de bron van informatie in gevaar wordt gebracht dan wel het bevel strekt tot verstrekking van gegevens van inlichtingendiensten die als geclassificeerd zijn aangemerkt;
c. het bevel is uitgevaardigd in een procedure als bedoeld in artikel 5.4.1, tweede lid, en de verlangde bevoegdheid naar Nederlands recht in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan;
d. uitvoering van het bevel zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die een schending zou opleveren van het beginsel van ne bis in idem;
e. het bevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd en geheel of gedeeltelijk op het Nederlandse grondgebied is gepleegd, en dat naar Nederlands recht niet strafbaar is;
f. er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op Nederland als uitvoerende staat rusten.
2 De uitvoering van het bevel wordt tevens geweigerd, indien:
a. het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd naar Nederlands recht niet strafbaar is, tenzij het een strafbaar feit betreft vermeld in bijlage D bij richtlijn 2014/41/EU dat in de uitvaardigende staat wordt bedreigd met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar;
b. de toepassing van de in het bevel aangegeven bevoegdheid naar Nederlands recht is beperkt tot een lijst of categorie strafbare feiten of tot feiten die bedreigd worden met een straf van tenminste een bepaalde hoogte, waartoe het strafbaar feit waarop het bevel betrekking heeft niet behoort.
(…)
Artikel 5.4.6 (Opschorting van erkenning en uitvoering)De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van het Europees onderzoeksbevel opschorten, indien:
a. het belang van een in Nederland lopend strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegen de uitvoering van het bevel;
b. de stukken, voorwerpen of gegevens waarop het bevel ziet reeds gebruikt worden in een andere gerechtelijke procedure.(…)”
3.7
Verder is van belang hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, NJ 2023/278 heeft overwogen. Voor zover van belang luidend als volgt:
“2.4.1 De Hoge Raad is in zijn beschikking van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940 ingegaan op de beoordeling van een klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv. In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“4.2.2 (...) Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108). Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich – gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
4.2.3
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:744). Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.”
2.4.2
Uitgangspunt van artikel 19 Richtlijn 2014/41/EU is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Om die geheimhouding hoeft, zo volgt ook uit de onder 2.3.4 weergegeven wetsgeschiedenis, niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van de verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
2.4.3
De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv.
2.4.4
In de rolbeslissing van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 is, in verband met de toepassing van artikel 23 lid 6 Sv, overwogen dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. Een dergelijk geval kan zich voordoen als (i) de kennisneming van en een eventuele reactie op een specifiek onderdeel van het EOB of een bepaald bij het EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor de onder 2.4.1 bedoelde beoordeling van het klaagschrift door de rechter, en (ii) er aanleiding bestaat te vermoeden dat de belangen van de uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als de kennisneming van de betreffende informatie aan de betrokkene zou worden toegestaan. In zo’n geval legt, alvorens de rechtbank beslist over de kennisneming van het stuk, het openbaar ministerie – al dan niet op grond van een daartoe krachtens artikel 23 lid 1 Sv door de raadkamer gegeven bevel – de hiervoor bedoelde vraag voor aan de uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat de uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van artikel 23 lid 6 Sv in zoverre achterwege.
2.4.5
Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv, kan de betrokkene aan de raadkamer het verzoek doen op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan. Als zo’n verzoek wordt gedaan, beoordeelt de raadkamer – mede op grond van de stukken waarvan de raadkamer kennisneemt – of daartoe de noodzaak bestaat. De rechter is niet gehouden de beslissing op het verzoek te motiveren als de verplichting tot geheimhouding jegens de uitvaardigende staat zich daartegen verzet.”
3.8
Uit het standpunt van het Openbaar Ministerie, zoals in bestreden beschikking onder het hoofdje “4. Standpunt van het Openbaar Ministerie” woordelijk door de rechtbank is overgenomen, blijkt dat de officier van justitie het EOB niet aan de Rechtbank heeft verstrekt, maar ten behoeve van de beoordeling door de rechtbank heeft volstaan met het in grote lijnen schetsen van de inhoud van het EOB. In raadkamer heeft de officier van justitie aangegeven dat er een EOB is en dat dit EOB geheim dient te worden gehouden. Uit de afwijzing door de rechtbank van het aanhoudingsverzoek dat namens de klager is gedaan blijkt dat de rechtbank wat betreft het bestaan van het EOB uitgaat van genoemde verklaring van de officier van justitie. Het impliciete verzoek van de verdediging om het EOB aan de stukken toe te voegen ten behoeve van de toetsing door de rechtbank is door de rechtbank afgewezen. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank wat betreft de inhoud van het EOB uitgaat van hetgeen daartoe door de officier van justitie in grote lijnen is geschetst.
3.9
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.7 is vooropgesteld, komt het mij onjuist voor dat de rechtbank het klaagschrift louter op grond van door de officier van justitie verstrekte informatie heeft beoordeeld. Uit de aangehaalde rechtspraak volgt immers dat de verplichting tot geheimhouding er niet aan in de weg staat dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt, omdat deze stukken in de beoordeling van het klaagschrift moeten worden betrokken. Het is onwenselijk als de rechter in een klaagschriftprocedure als de onderhavige zich uitsluitend baseert op de door de officier van justitie uit het EOB gefilterde informatie, zonder dat de juistheid of volledigheid van die informatie aan de hand van het brondocument kan worden gecontroleerd.3.Daarbij komt dat in het onderhavige geval door de officier van justitie ook niet is aangegeven waarom het EOB niet aan de rechtbank kan worden verstrekt.4.Dat de in de onderhavige procedure ter beoordeling van de rechtbank staande vragen mogelijk op basis van de door de officier van justitie verstrekte informatie zouden kunnen worden beoordeeld, doet aan het voorgaande niet af.
3.10
Het middel slaagt.
4. Gelet op het voorgaande kom ik aan de bespreking van het tweede en vierde middel niet toe. Daarbij wil ik wel nog opmerken dat de behandeling van een klaagschrift als het onderhavige in het openbaar moet plaatsvinden5.en dat dit uit het proces-verbaal van de raadkamer moet blijken. Mocht Uw Raad mij niet volgen in mijn conclusie ten aanzien van het derde middel en bespreking van de andere middelen geboden achten, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2024
Het is de bestreden beschikking weergegeven standpunt van het Openbaar Ministerie is woordelijk overgenomen uit het (op voorhand kenbaar gemaakte) schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie.
Het EOB voorziet de uitvoerende lidstaat van de informatie die van belang is voor de te nemen beslissingen over de erkenning en tenuitvoerlegging van het EOB (HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1519, NJ 2023/343).
Art. 19 lid 2, van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken houdt onder meer in dat de “uitvoerende autoriteit”, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Onder “uitvoerende autoriteit” in de zin van de Richtlijn wordt ingevolge art. 2 onder d verstaan: “een autoriteit die bevoegd is om een EOB in overeenstemming met deze richtlijn en de in een soortgelijke binnenlandse zaak geldende procedures te erkennen en ten uitvoer te laten leggen. In deze procedures kan in de uitvoerende staat krachtens het nationale recht de toestemming van een rechtbank vereist zijn.” Ingevolge art. 5.4.2 lid 1 Sv is de officier van justitie bevoegd tot erkenning en uitvoering van een EOB.
HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1011, NJ 2023/254.
Beroepschrift 12‑07‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: 24/01251 B
AANVULLENDE SCHRIFTUUR
Van : Mr. L.E.G. van der Hut
Dossiernummer: 2621701
Inzake:
[klager]
Verzoeker tot cassatie van een door de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar op 21 februari 2024, onder nummer 23-029712 gewezen beschikking.
1.
Met referte aan het bericht van de rolraadsheer d.d. 8 juli 2024 en de daarbij verleende nadere termijn voor het aanvullen of wijzigen van de op 2 juli 2024 ingediende schriftuur in de onderhavige cassatieprocedure vraagt verzoeker Uw aandacht voor het volgende.
2.
Gelet op de aanvulling van het cassatiedossier met de pleitnotities van de raadsman van verzoeker ten behoeve van de raadkamerzitting d.d. 14 februari 2024 is de grondslag van Middel I komen te vervallen. Verzoeker trektMiddel Idaarom hierbij in.
3.
Middel IIvult verzoeker aan, zodat dit middel als volgt komt te luiden:
‘Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat (i.) er geen proces-verbaal van de raadkamerbehandeling d.d. 21 februari 2024 (uitspraak beschikking) is opgemaakt, (ii.) zowel de behandeling in raadkamer van het klaagschrift van verzoeker ex art. 552a juncto art. 5.4.10 Sv d.d. 14 februari 2024, als de uitspraak van de beschikking d.d. 21 februari 2024 niet in het openbaar hebben plaatsgevonden, althans doordat uit de stukken niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de behandeling en/of de uitspraak in het openbaar heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor het onderzoek in raadkamer en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking van de rechtbank nietig zijn, althans doordat (iii.) het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling d.d. 14 februari 2024 niet is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter c.q. behandelend rechter van de rechtbank en de griffier, als gevolg waarvan het proces-verbaal rechtskracht c.q. bewijskracht mist.’
4.
In aanvulling op de in de schriftuur reeds gegeven toelichting geldt het volgende.
5.
Uit het bericht van de rolraadsheer d.d. 8 juli 2024 volgt, dat er geen proces-verbaal van de behandeling in raadkamer d.d. 21 februari 2024 (uitspraak van de beschikking) is opgemaakt. Art. 24, eerste lid, Sv bepaalt dat, indien een openbare behandeling door de raadkamer is voorgeschreven, de beschikking in het openbaar wordt uitgesproken. Volgens art. 25, eerste lid, Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat tevens voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van het proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
6.
Uit het samenstel van deze bepalingen valt af te leiden dat de onderhavige beschikking op een openbare raadkamerzitting moet zijn uitgesproken en dat van het verhandelde ter gelegenheid van die zitting een proces-verbaal moet zijn opgemaakt. Dit is evenwel niet gebeurd. Als gevolg daarvan kan in cassatie niet worden gecontroleerd of de voorschriften die verband houden met de voorschriften voor een (openbare) raadkamerbehandeling, de uitspraak en de inrichting, vaststelling en ondertekening van het proces-verbaal zijn nageleefd.
7.
Het ontbreken van voornoemd proces-verbaal — het niet opmaken daarvan — heeft betrekking op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt (vgl. o.a. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1343, HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:73 en HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1248). Dat het ‘slechts’ gaat om het proces-verbaal van de zitting waarop de bestreden beschikking is uitgesproken maakt dat niet anders (vgl. t.a.v. de procedure ter terechtzitting HR 26 oktober 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6070, NJ 1977/93 m.nt. ThWvV, HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9478 en de conclusie van AG Keulen voor HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1507 (ECLI:NL:PHR:2021:969, tweede middel).
8.
Daarnaast betekent dit, dat niet alleen ten aanzien van de raadkamerbehandeling van het klaagschrift van verzoeker ex art. 552a juncto art. 5.4.10 Sv d.d. 14 februari 2024 geldt dat deze — in strijd met de daarvoor geldende voorschriften — niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, althans dat uit de stukken niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, waardoor het onderzoek in raadkamer en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking van de rechtbank nietig zijn, maar dat dit eveneens geldt voor de raadkamerbehandeling d.d. 21 februari 2024 (uitspraak van de beschikking).
9.
De beschikking kan niet in stand blijven.
10.
Ook Middel III, althans de toelichting daarop, vult verzoeker hierbij aan.
11.
Uit de ontvangen pleitnota van de raadsman voor de raadkamerbehandeling d.d. 14 februari 2024 volgt, dat de raadsman in het kader van zijn verzoek om aanhouding dan wel gegrondverklaring van het klaagschrift de raadkamer expliciet heeft gewezen op de vragen die de raadkamer, ondanks het beperkte karakter van de onderhavige procedure, wél dient te beoordelen, maar dat niet kan als gevolg van het ontbreken van het EOB bij de stukken. Ik verwijs naar alinea 10 van de pleitnota:
- ‘10.
Bij de stukken bevindt zich geen EOB of EBB. Hierdoor kan niet getoetst worden:
- a.
Of er een EOB of EBB is en of met de inbeslagneming van de goederen onder cliënt gevolg wordt gegeven aan dat EOB of EBB?
- b.
Of het EOB of EBB aan de formele eisen voldoet? Wie heeft het uitgevaardigd? Is dat een rechterlijke autoriteit? Wat is de inhoud ervan? Wie heeft het ondertekend?
- c.
Is het EOB erkend door de officier van justitie?
- d.
Had de officier van justitie mogen erkennen gezien zijn plicht om marginaal te toetsen gelet op art. 5.4.3 lid 5?
- e.
Niet onderzocht kan worden of één van de weigeringsgronden zich voordoet.’
12.
Uit de in de schriftuur weergegeven overwegingen van Uw Raad uit ECLI:NL:HR:2022:653 (en ECLI:NL:HR:2021:1940), volgt dat dit terecht opgeworpen vragen betreffen, zie onder meer:
‘Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich — gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv — een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen.’,
en:
‘De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken.’
13.
Blijkens de (motivering van de) verwerping van het verzoek tot aanhouding dan wel gegrondverklaring van het klaagschrift, heeft de raadkamer miskend dat hij zich niet uitsluitend op mondelinge mededelingen van de officier van justitie kan/mag verlaten wat betreft de toetsing van (onderdelen van) het EOB. Het is de taak én verantwoordelijkheid van de rechter om te beoordelen of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB en/of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast, in elk geval indien — zoals in casu het geval — door of namens degene op wie het EOB betrekking heeft, dit expliciet aan de rechter verzoekt. Dat is in dezen dan ook ten onrechte niet gebeurd.
14.
Bovendien blijkt uit de overweging van de rechtbank onder 5.2 in de beschikking, dat de raadkamer het verzoek van de raadsman kennelijk te beperkt heeft opgevat, in die zin dat alleen het al dan niet bestaan van het EOB zou zijn opgeworpen. Daarmee doet de raadkamer het standpunt van de raadsman tekort.
15.
De beschikking kan daarom niet in stand blijven.
Deze aanvullende schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
mr. L.E.G. van der Hut
Den Haag, 12 juli 2024
Beroepschrift 02‑07‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: mr. L.E.G. van der Hut
Dossiernummer: 2621701
Inzake:
[klager]
Verzoeker tot cassatie van een door de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, op 21 februari 2024 onder nummer 23-029712 gewezen beschikking.
Middel I
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de door de raadsman van verzoeker bij gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer aan de rechtbank overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt, waardoor het onderzoek in raadkamer d.d. 14 februari 2024 en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking van de rechtbank d.d. 21 februari 2024 nietig zijn.
2. Toelichting
2.1
Op 14 februari 2024 vond de behandeling in raadkamer van het klaagschrift van verzoeker ex art. 552a juncto art. 5.4.10 Sv plaats. Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling is aldaar door de raadsman van verzoeker het woord gevoerd ter nadere onderbouwing van het klaagschrift aan de hand van een door hem aan de rechtbank overgelegde pleitnota, die als bijlage is gehecht aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting. Het proces-verbaal houdt in dit verband in (p. 1):
‘De raadsman voert — zakelijk weergegeven — het woord ter onderbouwing van het klaagschrift volgens een overhandigde pleitnota, die als bijlage is gehecht aan dit proces-verbaal.’
2.2
De door de raadsman overgelegde pleitnota is evenwel niet als bijlage gehecht aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting d.d. 14 februari 2024, noch bevindt deze pleitnota zich bij de stukken van het geding die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Aangenomen moet worden dat de pleitnota van de raadsman niet meer beschikbaar zal komen.
2.3
Het ontbreken van de pleitnota in het dossier is zozeer in strijd met een behoorlijke procesorde dat dit de nietigheid van het onderzoek in raadkamer en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt. Bij het ontbreken van de pleitnota in het dossier, waarvan vaststaat dat die wel aan de rechtbank is overgelegd, zoals in dezen het geval, kan de Hoge Raad immers niet nagaan of op de raadkamerzitting meer of uitvoeriger verweren zijn gevoerd of standpunten naar voren zijn gebracht dan die in de beschikking van de rechtbank zijn besproken.1.
2.4
De beschikking kan daarom niet in stand blijven.
Middel II
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat (i.) de behandeling in raadkamer van het klaagschrift van verzoeker ex art. 552a juncto art. 5.4.10 Sv niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, althans doordat uit de stukken niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden, waardoor het onderzoek in raadkamer en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking van de rechtbank nietig zijn, althans doordat (ii.) het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling d.d. 14 februari 2024 niet is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter c.q. behandelend rechter van de rechtbank en de griffier, als gevolg waarvan het proces-verbaal rechtskracht c.q. bewijskracht mist.
2. Toelichting
2.1
Uit de stukken volgt dat ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) onder de klager diverse goederen in beslag zijn genomen. Namens de klager is vervolgens op grond van art. 552a juncto art. 5.4.10 lid 3 Sv een klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan klager.
2.2
De behandeling van het klaagschrift in raadkamer vond plaats op 14 februari 2024. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, het klaagschrift ongegrond verklaard.
Ad (i.) Behandeling in het openbaar en zaak uitroepen
2.3
Ingevolge art. 557a lid 7 juncto art. 5.4.10 lid 1 en lid 3 Sv is behandeling van het klaagschrift in het openbaar voorgeschreven. Dat is alleen anders indien de raadkamer op grond van art. 22 leden 2 en 3 Sv gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren beveelt. De raadkamer kan zo'n bevel onder meer geven als de raadkamer toepassing geeft aan art. 23 lid 6 Sv en dus van oordeel is dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door een openbare behandeling.2.
2.4
Het proces-verbaal van de behandeling door de raadkamer houdt niet in dat de behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden in het openbaar, noch dat de voorzitter de zaak heeft doen uitroepen, terwijl evenmin blijkt dat toepassing is gegeven aan art. 22 leden 2 en 3 Sv. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de zaak ten onrechte niet is uitgeroepen en dat de behandeling van het klaagschrift ten onrechte niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
2.5
De beschikking kan daarom niet in stand blijven.
Ad (ii.) Proces-verbaal / ontbreken rechtskracht c.q. bewijskracht
2.6
In de tweede plaats geldt dat het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer d.d. 14 februari 2024 in strijd met art. 25 lid 3 Sv niet is vastgesteld noch is ondertekend. Het proces-verbaal krijgt zijn status doordat het wordt vastgesteld en ondertekend. Die vaststelling en ondertekening geschieden door de voorzitter of, zoals in casu, door de behandelend rechter in de enkelvoudige kamer van de rechtbank die over de zaak heeft geoordeeld, en door de griffier. Degenen die ondertekenen, moeten ook vaststellen.3. Met de vaststelling en ondertekening geven de ondertekenaars te kennen dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal.
2.7
Nu het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling d.d. 14 februari 2024 niet is vastgesteld noch is ondertekend door de behandelend rechter en de griffier, mist het proces-verbaal rechtskracht c.q. bewijskracht. Het onderzoek in raadkamer en de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking zijn daarom nietig.
2.8
De beschikking kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Middel III
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat (i.) de rechtbank het verzoek van de raadsman van klager tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen, en/of doordat (ii.) de officier van justitie in strijd met art. 23 lid 5 Sv niet alle stukken die op de zaak betrekking hebben aan de raadkamer heeft overgelegd, en/of doordat (iii.) de raadkamer die over het klaagschrift heeft geoordeeld ten onrechte niet van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennisgenomen alvorens over het klaagschrift te oordelen.
2. Toelichting,
2.1
Onder verzoeker zijn ter uitvoering van een EOB dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van België, diverse voorwerpen inbeslaggenomen. Namens verzoeker is een klaagschrift op grond van art. 5.4.10 lid 1 juncto art. 552a Sv ingediend. Op 14 februari 2024 is het klaagschrift behandeld in raadkamer.
2.2
Uit het proces-verbaal van die raadkamerzitting volgt dat namens klager is verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Het proces-verbaal houdt voor zover hier van belang het volgende in:
‘De raadsman voert — zakelijk weergegeven — het woord ter onderbouwing van het klaagschrift volgens een overhandigde pleitnota, die als bijlage is gehecht aan dit proces-verbaal.
(…)
De officier van justitie voert — zakelijk weergegeven — als volgt liet woord:
(…) Subsidiair verzoek ik u het klaagschrift ongegrond te verklaren. Er zijn geen argumenten geuit om te twijfelen aan of er een EOB is. Het EOB dient geheim te worden gehouden en ik weet dat er een EOB is.
De raadsman voert — zakelijk weergegeven — als volgt het woord ter verdediging:
Het klaagschrift is ontvankelijk. Het is niet duidelijk welke brief er aan mijn cliënt is uitgereikt De Hoge Raad is hier duidelijk over. Of er een EOB is, dient getoetst te worden door de rechtbank. Ik verzoek u primair het klaagschrift ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzoek ik u de zaak aan te houden om meer stukken te overleggen.’
2.3
De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, onder 5.2 het volgende in:
‘De officier van justitie heeft verklaard dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd. De inhoud daarvan is aan de officier van justitie bekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat voldoende om van het bestaan van dat EOB uit te gaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsman van klager om aanhouding van de beslissing om het EOB te kunnen toetsen af.’
2.4
Uit het voorgaande volgt dat de officier van justitie enkel heeft medegedeeld dat het ‘EOB dient geheim te worden gehouden’. Niet blijkt dat daar door de Belgische autoriteiten specifiek om is verzocht. Voorts kan uit het voorgaande worden afgeleid dat de raadkamer niet over het EOB beschikt, oftewel: dat de officier van justitie het EOB niet aan de raadkamer heeft overgelegd.
2.5
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat (i.) de rechtbank het verzoek van zijn raadsman tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen, en/of dat (ii.) de officier van justitie in strijd met art. 23 lid 5 Sv niet alle stukken die op de zaak betrekking hebben aan de raadkamer heeft overgelegd, en/of dat (iii.) de raadkamer die over het klaagschrift heeft geoordeeld ten onrechte niet van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennisgenomen alvorens over het klaagschrift te oordelen. Ter toelichting het volgende.
2.6
De Hoge Raad is in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, ingegaan op het juridisch kader met betrekking tot de beoordeling van klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv en overwoog in dit verband onder meer:
‘2.3.1
Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU) bevat onder meer de volgende bepalingen:
‘Artikel 14. Rechtsmiddelen
- 1.
De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
(…)
- 3.
Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
(…)
Artikel 19. Geheimhouding
- 1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen.
- 2.
De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.’
2.3.2
- ‘1.
De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.
- 5.
Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de in houd van deze stukken kennis te nemen.
- 6.
Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.’
2.3.3
Bij de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel), Stb. 2017, 231, is onder meer artikel 5.4.10 Sv vastgesteld. Het eerste lid van die bepaling luidt:
‘De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen (…) wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.’
2.3.4
De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde wet houdt onder meer het volgende in:
‘Deze leden vroegen verder aandacht voor het advies van het openbaar ministerie om geheimhouding van een EOB centraal te stellen. Naar aanleiding van dit advies van het openbaar ministerie en het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) is het wetsvoorstel aangepast: de thans in artikel 5.4.10, eerste lid, voorgestelde regeling verlangt, anders dan waar de leden van de CDA-fractie vanuit lijken te gaan, niet van buitenlandse autoriteiten dat zij expliciet vragen om geheimhouding.
(…) artikel 5.4.10 [is] mede naar aanleiding van het advies van de NVvR gewijzigd om het in lijn te brengen met hetgeen als hoofdregel wordt vermeld in de artikelen 19, eerste lid, en 14, derde lid, van de richtlijn. Daarin is geheimhouding het uitgangspunt. De uitvaardigende autoriteit kan het beste beoordelen of geheimhouding noodzakelijk is, omdat zij inzicht heeft in de feiten en omstandigheden van het lopende opsporingsonderzoek in de uitvaardigende lidstaat. De uitvoerende Nederlandse autoriteiten hebben dat inzicht niet.’
(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 6, p. 14, 16)
2.4.1
De Hoge Raad is in zijn beschikking van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940 ingegaan op de beoordeling van een klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv. In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
‘4.2.2 (…)
Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108). Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich — gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv — een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
4.2.3
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:744). Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.’
2.4.2
Uitgangspunt van artikel 19 Richtlijn 2014/41/EU is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Om die geheimhouding hoeft, zo volgt ook uit de onder 2.3.4 weergegeven wetsgeschiedenis, niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van de verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend.
2.4.3
De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv.
2.4.4
In de rolbeslissing van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1227 is, in verband met de toepassing van artikel 23 lid 6 Sv, overwogen dat het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan meebrengen dat het openbaar ministerie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. Een dergelijk geval kan zich voordoen als (i) de kennisneming van en een eventuele reactie op een specifiek onderdeel van het EOB of een bepaald bij het EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor de onder 2.4.1 bedoelde beoordeling van het klaagschrift door de rechter, en (ii) er aanleiding bestaat te vermoeden dat de belangen van de uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als de kennisneming van de betreffende informatie aan de betrokkene zou worden toegestaan. In zo'n geval legt, alvorens de rechtbank beslist over de kennisneming van het stuk, het openbaar ministerie — al dan niet op grond van een daartoe krachtens artikel 23 lid 1 Sv door de raadkamer gegeven bevel — de hiervoor bedoelde vraag voor aan de uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat de uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van artikel 23 lid 6 Sv in zoverre achterwege.
2.4.5
Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv, kan de betrokkene aan de raadkamer het verzoek doen op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan. Als zo'n verzoek wordt gedaan, beoordeelt de raadkamer — mede op grond van de stukken waarvan de raadkamer kennisneemt — of daartoe de noodzaak bestaat. De rechter is niet gehouden de beslissing op het verzoek te motiveren als de verplichting tot geheimhouding jegens de uitvaardigende staat zich daartegen verzet.’
Ad (i.) Afwijzing verzoek tot aanhouding
2.7
Verzoeker meent dat de rechtbank het verzoek van zijn raadsman tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Hoewel de pleitnota van de raadsman zich niet bij de stukken bevindt, zodat niet volledig kan worden nagegaan wat aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, volgt uit de wel voorhanden zijnde stukken dat het verzoek tot aanhouding van de raadsman in elk geval (ook) erop was gericht dat de raadkamer die over het klaagschrift zou oordelen, diende kennis te nemen van het EOB. En dat standpunt snijdt hout. Het is dan wel niet aan de raadkamer om bijvoorbeeld de proportionaliteit van de inbeslagneming en daaropvolgende overdracht te toetsen, het "(…) staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich — gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv — een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen'.
2.8
Tegen deze achtergrond kan de beschikking niet in stand blijven.
Ad (ii.) en (iii.) Strijd met art. 23 lid 5 Sv en oordeel raadkamer
2.9
Daarnaast blijkt uit de stukken dat het openbaar ministerie in strijd met art. 23 lid 5 Sv niet alle stukken die op de zaak betrekking hebben aan de raadkamer heeft overgelegd. Zoals uit de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad volgt, staat de geheimhoudingsplicht met betrekking tot het EOB ‘er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken.’.
2.10
De raadkamer de raadkamer die over het klaagschrift heeft geoordeeld heeft aldus tevens ten onrechte niet van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennisgenomen alvorens over het klaagschrift te oordelen.
2.11
Ook om deze reden kan de beschikking niet in stand blijven.
Middel IV
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de rechtbank het klaagschrift van verzoeker ten onrechte ongegrond heeft verklaard, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd dan wel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit in elk geval geldt ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen:
- —
f. Cartier zonnebril (92681)
- —
h. Doosje samsung zonder telefoon (92687)
- —
j. Bankpasje ING (92690)
- —
l. Open computerkast (92693)
- —
n. Rood cartiertasje met armband in doosje (92695).
2. Toelichting.
2.1
Onder verzoeker zijn ter uitvoering van een EOB dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van België, diverse voorwerpen inbeslaggenomen. Namens verzoeker is een klaagschrift op grond van art. 5.4.10 lid 1 juncto art. 552a Sv ingediend. Op 14 februari 2024 is het klaagschrift behandeld in raadkamer. Op 21 februari 2024 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.
2.2
De beschikking van de rechtbank houdt hieromtrent het volgende in (excl. voetnoten):
‘4.1 (…)
(…)
In het uit België ontvangen EOB is specifiek verzocht om het in beslag nemen van digitale gegevensdragers, documenten met betrekking tot bankrekeningen of het bezit van virtuele munten en betaalkaarten. Daarnaast moest gelet worden op de aanwezigheid van waardevolle of luxe goederen, omdat er ook verlof is verleend tot het leggen van conservatoir beslag.
(…)
Inhoudelijk
5.7
De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden. Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen over de erkenning en uitvoering.
5.8
Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, kan niet anders dan marginaal zijn en betreft alleen de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt. De officier van justitie heeft met juistheid verwezen naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad op dit onderdeel. Het uitgangspunt is wederzijdse erkenning, waaruit voortvloeit dat er maar beperkt ruimte is om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB, en waarmee ook de ruimte voor rechterlijke toetsing beperkter is.
‘Bij de behandeling van een klaagschrift ex art. 5.4.10. I jo. art. 552a Sv doet rechter geen onderzoek naar gronden voor uitvaardigen EOB. waarvan uitvoering heeft geleid tot indiening klaagschrift. Rechter toetst evenmin proportionaliteit van inbeslagneming van daarop volgende overdracht van voorwerpen die bewijsmateriaal betreffen waarop EOB betrekking heeft. Hei staal wel ter beoordeling aan rechter of zich grond voordoet voor weigering of uitstel van erkenning of uitvoering van EOB. Daarnaast kan rechter in voorkomende gevallen beoordelen of bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan EOB. rechtmatig is toegepast. Rechter moet zich daarbij beperken lof onderzoek naar formaliteiten waaraan inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan rechtmatigheid van voortduren van beslag moeten, gelet op beginsel van wederzijdse erkenning, door rechter van uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten. Verder staat in klaagschriftprocedure ter beoordeling of in beslag genomen voorwerpen bewijsmateriaal betreffen waarop EOB betrekking heeft en die uitvaardigende staat met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat EOB globaal mag zijn omschreven. Bij beoordeling klaagschrift is dus niet de vraag aan de orde of belang van strafvordering voortduren van beslag vordert. Aan het systeem van het EOB lig! immers ten grondslag dat met uitvaardiging van EOB hel belang van strafvordering in uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.’
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar klager. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
5.10.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5.4.4 Sv voor.
5.11
De in beslag genomen voorwerpen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft. De Belgische autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het beslag. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.’
2.3
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechtbank zijn klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd dan wel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit in elk geval geldt ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen:
- —
f. Cartier zonnebril (92681)
- —
h. Doosje samsung zonder telefoon (92687)
- —
j. Bankpasje ING (92690)
- —
l. Open computerkast (92693)
- —
n. Rood cartiertasje met armband in doosje (92695).
Verzoeker licht dit als volgt toe.
2.4
Ten behoeve van de beoordeling van het cassatiemiddel stelt verzoeker het volgende voorop (zie HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940).
2.5
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd (vgl. artikelen 9 en 11 Richtlijn 2014/41/EU en de preambule onder 11, alsmede artikel 5.4.4 Sv). Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen (vgl. artikel 6 Richtlijn 2014/41/EU). Ook is het aan de uitvaardigende staat om te bepalen welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of de toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit (vgl. artikelen 5 lid 1 en 6 Richtlijn 2014/41/EU en de preambule onder 11), behoudens voor zover Richtlijn 2014/41/EU ruimte laat aan de uitvoerende staat om de keuze van of de wijze van toepassing van een bevoegdheid te bepalen (vgl. onder meer artikel 10 Richtlijn 2014/41/EU). De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten (artikel 14 lid 2 Richtlijn 2014/41/EU).
2.6
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een EOB voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. De artikelen 552a leden 1 tot en met 6, 552d leden 1 en 2, en 552e lid 1 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107).
2.7
Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich — gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv — een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
2.8
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:744). Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.
2.9
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is verder nog van belang dat als uitgangspunt geldt dat deze gegevensdragers — en niet een kopie van de inhoud daarvan — worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Het is immers aan de uitvaardigende autoriteit om te bepalen in hoeverre na overdracht van de voorwerpen onderzoek moet worden verricht aan die voorwerpen en hoe dat onderzoek moet worden ingericht. Dat is anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of anderszins door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van zo'n kopie volstaat. Daarnaast geldt dat het niet aan het Nederlandse openbaar ministerie of aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, is om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan de beslagene/klager ter beschikking worden gesteld.
2.10
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is — anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve van een Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden — dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat — in de zin van het belang van de uitvaardigende staat bij de uitvoering van het EOB en de overdracht van de resultaten daarvan ten behoeve van de strafrechtelijke procedure in de uitvaardigende staat — wordt verondersteld aanwezig te zijn.
2.11
Tegen deze achtergrond geldt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een voortdurend belang van strafvordering, althans dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting; die vraag is immers in een procedure als de onderhavige niet aan de orde. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd geoordeeld, dan wel is het oordeel onbegrijpelijk dat (in elk geval) de volgende inbeslaggenomen voorwerpen bewijsmateriaal betreft waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen:
- —
f. Cartier zonnebril (92681)
- —
h. Doosje samsung zonder telefoon (92687)
- —
j. Bankpasje ING (92690)
- —
l. Open computerkast (92693)
- —
n. Rood cartiertasje met armband in doosje (92695).
2.12
De genoemde voorwerpen kunnen immers niet, althans niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, worden geschaard onder hetgeen, volgens de mededelingen van de officier van justitie, zoals weergegeven in de bestreden beschikking, in het EOB is opgenomen als zijnde het bewijsmateriaal waarop het EOB zich richt, zoals opgenomen onder 4.1 van de bestreden beschikking:
‘In het uit België ontvangen EOB is specifiek verzocht om het in beslag nemen van digitale gegevensdragers, documenten met betrekking tot bankrekeningen of het bezit van virtuele munten en betaalkaarten. Daarnaast moest gelet worden op de aanwezigheid van waardevolle of luxe goederen, omdat er ook verlof is verleend tot het leggen van conservatoir beslag.’
2.13
Voor de voorwerpen genoemd onder h., j. en l. is dit, naar verzoeker meent, evident. Voor de goederen genoemd onder f. en n. geldt dit echter evenzeer: deze voorwerpen kunnen niet, althans niet zonder meer worden geschaard onder ‘waardevolle of luxe goederen’ die zich lenen voor conservatoir beslag. Bovendien blijkt uit de weergave van de inhoud van het EOB dat specifiek is verzocht om inbeslagname van digitale gegevensdragers et cetera, maar dat ten aanzien van eventuele waardevolle of luxe goederen uitsluitend is verzocht om te letten op de eventuele aanwezigheid daarvan; niet blijkt, althans onvoldoende, dat het EOB zich richt op inbeslagneming van eventuele waardevolle of luxe goederen.
2.14
Ook om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven, in elk geval niet ten aanzien van de hiervoor specifiek benoemde voorwerpen onder f., h., j., l., en n.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
mr. L.E.G. van der Hut
Den Haag, 2 juli 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑07‑2024
Vgl. onder meer HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:731. Zie bijvoorbeeld ook HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1138, HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1248, HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1366 en HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1648.
Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:486, r.o. 4.4.1 en HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653, r.o. 2.4.3.
Een niet of niet rechtsgeldig ondertekend proces-verbaal mist bewijskracht, zie HR 19 mei 1930, NJ 1930, p. 1165. Zie bijvoorbeeld ook HR 12 september 2006, NJ 2007/410 en HR 17 november 2020, NJ 2020/441, m.nt. W.H. Vellinga.