Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.4.3.4
III.4.3.4 Functioneel plegen, rechtspersoon
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460365:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een andere overtrederschapsvorm dan plegen is echter ook mogelijk.
Instemmend: Jansen in zijn annotatie bij HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, AB 2004/310 (Drijfmest).
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest), r.o. 3.4. Zie verder over de Drijfmesttoets par. II.4 en in bestuursrechtelijke context Hornman & Bleeker 2019, par. 3 en 4. Merk op dat de concretiserende omstandigheden ‘slechts’ gezichtspunten zijn, anders dan soms wordt gesuggereerd in bestuursrechtelijke literatuur (zie bijvoorbeeld Vermeer, Visser & Sibma. 2016, p. 41) kan een gedraging ook in redelijkheid worden toegerekend aan een rechtspersoon wanneer niet aan (alle) Drijfmestcriteria wordt voldaan.
Zie par. III.6.3.3.
Voor natuurlijke personen en rechtspersonen bestaan verschillende toetsen om functioneel plegerschap aan te nemen. Hoewel dit proefschrift gaat over de sanctionering van natuurlijke personen (leidinggevenden), is het toch nodig om kort stil te staan bij het overtrederschap van rechtspersonen. Een natuurlijke persoon kan namelijk uitsluitend worden aangesproken via de aansprakelijkheidsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’ als de rechtspersoon kan worden aangemerkt als overtreder.
Artikel 5:1 lid 3 Awb bepaalt dat ook rechtspersonen een overtreding kunnen begaan. Het overtrederschap van de rechtspersoon verloopt in de regel via functioneel plegen; de gedragingen van natuurlijke personen worden dan toegerekend aan de rechtspersoon.1 Aangezien art. 51 Sr door art. 5:1 Awb van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, moet voor de beoordeling of de rechtspersoon kan worden aangemerkt als overtreder worden aangesloten bij de strafrechtelijke benadering.2 In het strafrecht zijn criteria ontwikkeld voor het ‘in redelijkheid toerekenen’ aan de rechtspersoon; een belangrijk oriëntatiepunt is of de gedraging plaatsvond ‘in de sfeer van de rechtspersoon’. Daarvoor heeft de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest verschillende concretiserende ‘omstandigheden’ genoemd, namelijk:3
Het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
De gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; en
De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard.
Het lijkt er echter op dat de Afdeling een eigen toerekeningsformule gebruikt voor zowel natuurlijke- als rechtspersonen, de zogeheten CZL Tilburg-toets, waarover in paragraaf III.6.2.3 en III.6.3.3 meer.4