Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.3.2
4.3.2 Arrow/Debreu en Fama
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS391749:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
K.J. Arrow & G. Debreu, ‘Existence of an equilibrium for a competitive economy, Econometrica 1954, p. 265-290. Blijkens noot 1 is dit artikel in conceptvorm reeds door de auteurs gepresenteerd in een vergadering van de Econometric Society op 27 december 1952. Bij verdere verwijzingen is het jaartal van publicatie (1954) aangehouden.
Arrow en Debreu beschreven deze optimale staat als “no redistribution of goods or productive resources can improve the position of one individual without making at least one other individual worse off”. Zie Arrow/Debreu 1954, p. 265.
Fox 2009, p. 78.
Arrow/Debreu 1954, p. 268 (“Under the usual assumptions of perfect competition, the economic motivation for production is the maximization of profits taking prices as given.”) en p.270 (“The basic economic motivation in the choice of a consumption vector is that of maximizing utility among all consumption vectors which would satisfy the budget restraint, i.e. whose cost at market prices does not exceed the individual’s income.”)
Een prominente tegenstander van het idee dat een markt via prijsvorming naar een ‘competitive equilibrium’ toe beweegt was Schumpeter (zonder dit overigens zelf expliciet te benoemen). In de visie van Schumpeter kwam het competitief element van markten niet zozeer van binnenuit, maar van buitenaf, bijvoorbeeld via innovatie en het proces wat hij ‘creative destruction’ noemde. Zie J.A. Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, London: Routledge 2010 (1e druk 1943), p. 55-106, bijvoorbeeld p. 59: “Thus, there are prolonged periods of rising and falling prices, interest rates, employment and so on, which phenomena constitute parts of the mechanism of this process of recurrent rejuvenation of the productive apparatus.” Zie voorts in deze zin de inleiding van J.E. Stiglitz bij de heruitgave uit 2010 (p. ix) met expliciete verwijzing naar de tegenstelling tussen Schumpeter enerzijds en het werk van Walras en Arrow en Debreu anderzijds.
De Efficient Market Hypothesis is in de tweede helft van de jaren ’60 uitgewerkt in een serie publicaties van Fama en andere wetenschappers. In 1970 verscheen een overzichtsartikel van Fama dat tegenwoordig als het standaardwerk voor de formulering van de EMH wordt aangemerkt. Zie E.F. Fama, ‘Efficient Capital Markets: a Review of Theory and Empirical Work’, Journal of Finance 1970, p. 383-417.
Fama 1970, p. 383.
Ibid.
Ibid, p. 388.
Ibid, p. 416.
E.F. Fama, L. Fisher, M.C. Jensen & R. Roll, ‘The Adjustment of Stock Prices to New Information’, International Economic Review 1969, p. 1-21, tevens te raadplegen via
B.G. Malkiel, A Random Walk Down Wall Street, New York: W.W. Norton 1973.
Fama 1970, p. 391-400.
In een serie artikelen in de jaren ’60 bestreed Mandelbrot zowel de aanname van het ‘Random Walk’ model als ook de aanname van de normale verdeling. In zijn visie bewogen marktprijzen zich niet willekeurig, maar volgden zij eerder een patroon dat leek te zijn ingegeven door zogeheten ‘power laws’. Tevens vertoonde de data van historische prijsontwikkelingen volgens Mandelbrot teveel ‘outliers’ om de aanname van een normale verdeling te kunnen rechtvaardigen. Ook hier zorgden de ‘power laws’ voor een niet-normale verdeling, die in de jaren ’80 door Mandelbrot in de fractale geometrie tot de ‘Mandelbrotverdeling’ zou worden uitgewerkt. Na deze serie artikelen trok wiskundige Mandelbrot zich terug uit het wetenschapsgebied van finance om er pas in 2004 met een autobiografisch getinte beschouwing terug te keren. Zie B.B. Mandelbrot & R.L. Hudson, The (Mis)Behaviour of Markets: a fractal view of risk, ruin and reward, London: Profile Books 2008 (1e druk 2004), in het bijzonder p. 7-16, en p. 79-107.
Fama 1970, p. 399-400: “Economist have, however, been reluctant to accept these results, primarily because of the wealth of statistical techniques available for dealing with normal variables and the relative paucity of such techniques for non-normal stable variables.”
In de jaren ’50 en ’60 werden vanuit verschillende wetenschapsrichtingen belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van wetenschappelijke theorieën over de werking van markten. In 1952 presenteerden econometristen Arrow en Debreu een geïntegreerd wiskundig model voor een efficiënt werkende markt van productie, handel en consumptie.1 Dit artikel, dat voortbouwde op eerder werk van wiskundigen Walras en Wald, bevatte een wiskundig model voor een (hypothetische) markt waarin productie en consumptie via handel als vanzelf naar een optimaal, dat wil zeggen Pareto-efficient,2 evenwicht (‘competitive equilibrium’) bewogen. Het model van Arrow en Debreu vormde een wiskundige weergave van het marktmechanisme van de ‘invisible hand’ van Smith, waarmee de mogelijkheid van een dergelijke perfecte markt wiskundig kon worden bewezen.3 Het Arrow-Debreu model was evenwel gebaseerd op een set uitzonderlijke assumpties voor de drijfveren van het gedrag van producten en consumenten. Aangenomen werd dat beide groepen hun keuzes louter op zuiver utilitaristische afwegingen zouden baseren.4 Anders gezegd: in het Arrow- Debreu model werd het rationeel-economisch gedrag van de individuele actoren in bepaalde zin als gegeven beschouwd. Ook bevatte het Arrow-Debreu model een aantal specifieke voorwaarden waaraan een markt moest voldoen om via marktwerking een ‘competitive equilibrium’ te bereiken. Nog afgezien van de assumpties – in de methodologie van Friedman was het realiteitsgehalte daarvan immers irrelevant – waren de voorwaarden dermate onrealistisch dat het Arrow- Debreu model van weinig beschrijvende waarde was over hoe markten in de praktijk werkten. Desondanks heeft de strekking van het Arrow-Debreu model, het idee dat een markt via het prijsmechanisme van vraag en aanbod naar een efficiënt evenwicht beweegt, zich stevig in de algemene perceptie over marktwerking verankerd.5
Een volgende stap betrof de vernieuwende inzichten uit statistisch onderzoek naar de prijsvorming op financiële markten aan de hand waarvan Fama de ‘Efficient Market Hypothesis’ (EMH) formuleerde.6 Uit statistisch onderzoek van marktprijzen van beursaandelen was het beeld ontstaan dat (i) veranderingen in beurskoersen een willekeurig patroon volgden in die zin dat veranderingen in de prijs van een bepaald aandeel zich onafhankelijk van elkaar bewogen (de zogeheten ‘random walk’); en (ii) dat de individuele prijsstijgingen – of dalingen het patroon van een normale verdeling (‘normal distribution’) ten opzichte van de eerdere prijs volgden. Wat dit wil zeggen, is dat het statistisch gezien niet mogelijk bleek om op basis van de beurskoers van vandaag, al dan niet in combinatie met data over het koersverloop uit het verleden, met zekerheid te voorspellen of de prijs van het aandeel de dag erna zou stijgen of dalen (prijsbewegingen zijn immers geheel willekeurig), maar dat wel statistisch aannemelijk was dat de prijsschommeling ten opzichte van de koers van vandaag beperkt zou blijven. Fama formuleerde op basis van deze combinatie van bevindingen de hypothese dat kapitaalmarkten ‘efficiënt’ werkten in die zin dat de beurskoers een zo goed mogelijke benadering vormde van de intrinsieke waarde van het onderliggende effect en dat de willekeurige koersschommelingen rond de gemiddelde beurskoers een logisch gevolg waren van kopers en verkopers die op basis van verschillende opvattingen over deze intrinsieke waarde – althans, binnen een beperkte bandbreedte – transacties in het bewuste effect verrichten. Deze voorstelling gaat alleen op indien aangenomen kan worden dat de beurskoers van een bepaald effect bij benadering inderdaad een weergave vormt van de intrinsieke waarde van het effect. Hiervoor is weer vereist dat alle beschikbare informatie over de waarde van het effect in zekere zin in de beurskoers is ‘verwerkt’. Dit uitgangspunt is in feite de kern van de Efficient Market Hypothesis.
Fama verwoordde het uitgangspunt van zijn hypothese van een efficiënte kapitaalmarkt als volgt: “The primary role of the capital market is allocation of ownership of the economy’s capital stock. In general terms, the ideal is a market in which prices provide accurate signals for resource allocation; that is, a market in which firms can make production-investment decisions, and investors can choose among the securities that represent ownership of the firms’ activities under the assumption that security prices at any time ‘fully reflect’ all available information. A market in which prices always ‘fully reflect’ available information is called ‘efficient.’”7 Om de hypothese empirisch te kunnen toetsen, werkte Fama (in navolging van zijn collega Roberts) de EMH in drie subvarianten uit: de ‘weak form’ hypothese (toekomstige koersveranderingen kunnen niet aan de hand van historische koersdata worden voorspeld), de ‘semi-strong form’ hypothese (een beurskoers geeft een weergave van alle publiekelijk beschikbare informatie van het effect, zoals informatie uit jaarverslagen en persberichten) en de ‘strong form’ hypothese (de beurskoers vormt ook een weergave van niet-publiekelijk beschikbare informatie).8 In lijn met de methodologie van Friedman testten Fama en andere wetenschappers vervolgens in hoeverre de voorspelde uitkomsten van de verschillende subhypothesen van de EMH overeenkwamen met data uit empirisch onderzoek. Op basis van deze studies concludeerde Fama dat er geen belangrijk bewijs was gevonden tegen de ‘weak form’ en ‘semi-strong form’ van de EMH en dat er slechts beperkt tegenbewijs tegen de ‘strong form’ van de EMH was gevonden.9 Hij constateerde: “In short, the evidence in support of the efficient markets model is extensive, and (somewhat uniquely in economics) contradictory evidence is sparse.”10
Met hun statistisch en empirisch werk rond de Efficient Market Hypothesis legden Fama en andere wetenschappers op het gebied van ‘finance’ een belangrijk fundament onder de verdere ontwikkeling in normatieve opvattingen over de werking van – en prijsvorming in – kapitaalmarkten. Voor de niet ingevoerde toeschouwer was met het werk van Fama wetenschappelijk bewezen dat een op de beurs tot stand gekomen prijs van bijvoorbeeld een aandeel een weergave vormde van alle beschikbare informatie, daarmee de intrinsieke waarde van het betreffende aandeel weergaf en daarmee dus ook in wezen de enige juiste prijs was. Het idee dat de beurskoers van een bepaald aandeel als resultante van aan- en verkoophandelingen van een groot aantal marktparticipanten een nauwkeurige benadering geeft van de waarde die al deze participanten op basis van de voor hen beschikbare informatie over de achterliggende beursonderneming gemiddeld aan het aandeel toekennen had (en heeft) ook op intuïtief niveau een zekere aantrekkingskracht. Dit gold te meer nu de EMH ook opgeld leek te doen voor nieuwe informatie. Uit empirisch onderzoek was gebleken dat beurskoersen zich ook relatief snel aanpasten aan nieuwe informatie over de betreffende aandelen,11 een bevinding die mogelijk de indruk heeft gewekt dat bij de aanpassing van beurskoersen aan nieuwe informatie ook een vorm van een natuurlijk evenwicht (zoals in een Arrow-Debreu model) aan het werk was. Het idee van de efficiënt werkende markt gebaseerd op het ‘random walk’ model werd kort daarna ook voor een breder publiek verkondigd en gepopulariseerd in het bekende populairwetenschappelijk boek A Random Walk Down Wall Street van Princeton-econoom Malkiel dat in 1973 verscheen.12 De invloed van het concept van de Efficient Market Hypothesis en de implicatie ervan dat een marktprijs in beginsel ‘juist’ is bleef dus niet tot de economische wetenschap beperkt.
Toch bevatte het werk van Fama een aantal wezenlijke caveats. Zo tekende Fama op dat de juistheid van de uitgangspunten van willekeurige prijsbewegingen en de normale verdeling van prijsschommelingen – beide bouwstenen voor de EMH – niet onomstotelijk vaststond.13 Met name op het punt van de variatie van prijsbewegingen wees Fama op een aantal studies – waaronder van hemzelf en van zijn promotor Mandelbrot14 – waaruit bleek dat prijsbewegingen juist een niet-normale verdeling volgden. Hij voegde hier nog wel aan toe dat deze bevindingen binnen de economische wetenschap nog niet algemeen waren geaccepteerd omdat economen nog niet met de ingewikkelde statistische methoden voor niet-normale verdelingen uit de voeten konden.15 Deze nuances gingen evenwel verloren in de stelligheid waarmee Fama zijn conclusies op basis van empirisch onderzoek verwoordde. In zekere zin kon het empirisch werk over de EMH zelfs worden gekwalificeerd als validatie van het ‘random walk’ model en de normale verdeling van prijsbewegingen: de uitkomsten van de EMH waren immers consistent met de data. Hiermee voldeed de EMH, althans de ‘weak form’ en de ‘semi-strong form’ varianten ervan, aan de methodologische lakmoesproef in de door Friedman voorgestelde benadering van ‘positive economics’. Dit maakte de EMH en indirect het fundament waarop de EMH was gebaseerd tot een bruikbare basis voor verdere theorievorming en toepassingen in de praktijk.