Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.4.1
3.4.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300431:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kramer 2000, p. 35; Simmonds 2000, p. 150.
Zie expliciet over het belang van Hohfdeld’s werk als startpunt voor deze discussie Wellman 1985, p. 17; Sumner 1987, p. 18; Steiner 1994, p. 59; Kramer 2000, p. 7; Edmundson 2004, p. 87 e.v.; Rainbolt 2006, p. 73; Eleftheriadis 2008, p. 7.
In het bijzonder laat ik hier buiten beschouwing vragen over het in termen van het model weergeven van 1) subjectieve rechten die toekomstig zijn of onder voorwaarde of tijdsbepaling bestaan; zie hierover Corbin 1924, p. 511; O’Gorman 2014, p. 326, 2) het overdragen van subjectieve rechten; zie hierover Penner 2013; Merrill & Smith 2001b, p. 787 en 3) de vestiging van beperkte rechten; zie hierover Rudden 1987, p. 251 e.v.; Douglas & McFarlane 2013, p. 235 e.v.
85. In de (Anglo-) Amerikaanse literatuur wordt breed geaccepteerd dat het model van Hohfeld het mogelijk maakt om op een nauwkeurige manier de rechtspositie van een partij te omschrijven.1 Daarom wordt het begrippenkader vaak gebruikt in discussies over de vraag wat ‘rechten’ precies zijn.2 Voor dit onderzoek beperk ik me tot de discussies die betrekking hebben op het vermogensrecht. Ik bespreek de drie belangrijkste discussiepunten die, met het model in de hand, worden gevoerd over de vraag wat subjectieve vermogensrechten (kortweg ‘subjectieve rechten’) zijn. De eerste discussie heeft betrekking op de vraag hoe de juridische posities uit het model moeten worden vertaald naar subjectieve rechten. Betekent het feit dat iemand één van de (voordelige) juridische posities uit het model inneemt automatisch dat iemand een subjectief recht heeft? En maakt het daarvoor uit wélke van de posities het betreft? De tweede discussie gaat over het gebruik van het model bij rechten die tegen meerdere (of alle) andere personen gelden, zoals bij goederenrechtelijke rechten het geval is. Moeten deze worden weergegeven als één juridische positie die men inneemt tegenover meerdere (of alle) andere personen, of als verschillende juridische posities tegenover al deze personen afzonderlijk? En waarom zou dat verschil maken? De derde discussie is potentieel de meest venijnige voor toepassing van het model. Deze discussie stelt de bijzondere positie van goederenrechtelijke rechten aan de orde. Goederenrechtelijke rechten worden traditioneel niet gezien als een verhouding tussen persoon en persoon, maar als een verhouding tussen persoon en rechtsobject. Kan het model hier wel worden toegepast? De bespreking van deze drie discussiepunten is geenszins een uitputtende verhandeling over de mogelijkheden en begrenzingen van het model; ik heb slechts de discussies geselecteerd die direct van belang zijn voor de conclusies van mijn onderzoek.3 Deze drie discussies maken duidelijk dat 1) subjectieve rechten bestaan uit combinaties van verschillende juridische posities, 2) een rechthebbende verschillende juridische posities kan hebben jegens verschillende personen en 3) óók goederenrechtelijke rechten kunnen worden weergegeven als een bundel juridische posities in verhouding tot andere personen, mits deze juridische posities worden gedefinieerd met verwijzing naar het rechtsobject waarop het goederenrechtelijk recht ziet. Dit komt in hoofdstuk 6 van pas bij het bepalen van de manieren waarop subjectieve rechten kunnen worden aangevuld.