Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.5.2:6.5.2 De situatie onder de oude Verordening 17/62
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.5.2
6.5.2 De situatie onder de oude Verordening 17/62
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578722:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
SamenwerkingsBekendmaking, PbEG 1993, C39/6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Bekendmaking betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (thans artikelen 81 en 82 EG)1 zei niets over samenwerking tussen de Commissie en arbiters of samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en arbiters. Arbiters konden en kunnen proberen informatie te vragen aan de Commissie, maar de Commissie was en is niet gehouden hier antwoord op te geven nu een scheidsgerecht geen gemeenschapsinstelling vormt in de zin van artikel 10 EG. De positie van de arbiter was en is wat betreft de directe werking van de artikelen 81 en 82 EG vergelijkbaar met die van de overheidsrechter. De arbiter mocht en mag, net als de overheidsrechter, de artikelen 81 leden 1 en 2 en 82 EG toepassen. Ook de verordeningen inzake groepsvrijstellingen kunnen door de arbiter worden toegepast. Zij hebben tenslotte directe werking. Het derde lid van artikel 81 EG mocht onder het regime van Verordening 17/62 niet worden toegepast.
De belangrijkste verschillen tussen de overheidsrechter en de arbiter zijn reeds besproken. Arbiters mogen in het algemeen geen prejudiciële vragen stellen. Alleen de overheidsrechter is hiertoe gerechtigd. Een belangrijk verschil met de overheidsrechter is voorts dat arbiters regels van fundamenteel Europees recht, zoals het Europees mededingingsrecht, ambtshalve buiten de rechtsstrijd van partijen om moeten toepassen. Zie mijn bespreking in § 6.3.3.