Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.5.2
5.4.5.2 Jurisprudentie betreffende de woning
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619210:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 maart 1977, NJ 1978, 98, m.nt. E.A.A.L. (Leegwaarde-arrest); zie ook hoofdstuk 6, § 3.6.1.
Deze conclusie past in de gedachtegang van Kraan als hij schrijft dat het bij de toepassing van de ‘waarde bewoond’ bij de afwikkeling van nalatenschappen om niets anders dan een gedeeltelijke concretisering van de verzorgingsplicht gaat, welke de erflater in zijn testament heeft erkend (en geregeld) of bij gebreke daarvan door een deel van zijn erfgenamen wordt nagekomen. C.A. Kraan, De waarde van een verzorgingsrecht, WPNR 5442 (1978). Ook Santen brengt de waardering in verband met de verzorgingsplicht ten opzichte van de langstlevende echtgenoot. Zie A.H.M. Santen, Notaris, echtscheiding en echtelijke woning (preadvies KNB), Deventer: Kluwer 1987, p. 103.
In HR 1 maart 1978 werd voor de successierechtheffing beslist dat voor de waardering van de voormalige echtelijke woning van de leegwaarde, van de waarde in vrij opleverbare, onbewoonde staat, uitgegaan dient te worden. De voor het overlijden bestaande onverdeeldheid (een eenvoudige gemeenschap, omdat de echtgenoten onder uitsluiting van iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap waren gehuwd) en het gebruiksrecht van de mede-eigenaar zijn op de waardering niet van invloed, mede in aanmerking genomen dat – na overlijden – te allen tijde verdeling van die gemeenschap gevorderd kan worden.
Kleijn vraagt zich in een ‘civielrechtelijke noot’ onder dit arrest af, of de rechtspositie van de echtgenoot-gebruiker op grond van de redelijkheid en billijkheid aanleiding kan zijn om een ‘vermogenswaarde te constateren bij de degene die daaraan een voorkeurspositie voor toedeling ontleent’. Hij signaleert dat vele schrijvers bij de verdeling van een nalatenschap na overlijden, anders dan na echtscheiding,1 van mening zijn dat toedeling van de echtelijke woning aan de langstlevende op basis van de ‘bewoonde waarde’ op grond van de redelijkheid en billijkheid geboden is. Ik teken daar voor de onderhavige casus overigens bij aan dat de positie van de langstlevende in beginsel werd verzekerd door het ‘klassieke vruchtgebruiktestament’.
De uitspraak van de kantonrechter te Rotterdam van 2 december 1970 wijst ook in de richting van de leegwaarde, zij het in een niet zonder meer met het hiervoor gemelde arrest vergelijkbare casus, nu door het overlijden een huwelijksgemeenschap werd ontbonden en feitelijk niet is gegeven dat in de verzorging van de langstlevende was voorzien. In een zelfde casus besliste de Arrondissementsrechtbank Zutphen op 23 juni 1983 evenwel dat leegwaarde bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap en nalatenschap geen juiste maatstaf is, maar bij de waardering in bewoonde staat de hoge leeftijd van de langstlevende en haar voornemen om te verhuizen wel in acht genomen dienen te worden.
In HR 10 januari 1986 werd beslist dat een door de redelijkheid en billijkheid ingegeven verdeling op basis van de waarde in verhuurde staat, niet betekende dat voor de verhaalsregeling in de Algemene Bijstandswet sprake was van een schenking. Een bijzondere casus, toegespitst op gemelde bijstandsregeling, waarvan betwijfeld kan worden of hieraan een bredere strekking toekomt, nu in casu – slechts – de vrijgevigheid centraal stond. Het beeld in de behandelde jurisprudentie komt niet overeen met de door Kleijn gesignaleerde opvatting in de doctrine waarbij voor de verdelingswaarde in de nalatenschap de ‘bewoonde staat’ wordt aangehouden.
Ook de beslissing van de Arrondissementsrechtbank Haarlem van 8 oktober 1985 gaat van de leegwaarde uit, zowel voor de berekening van de legitimaire massa als voor de verdeling van de nalatenschap. De feitelijke bewoning door de langstlevende is volgens de rechter niet op één lijn te stellen met een waardedrukkend recht. Hij sluit niet uit dat op grond van de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden van een andere verdelingswaarde moet worden uitgegaan, maar ziet daarvoor geen aanleiding in het berechte geval omdat de aanwezigheid van een testamentaire voorziening (een ‘vruchtgebruiktestament’) niet tot een correctie van de leegwaarde noopt.
Eveneens in HR 13 april 2007 werd in een geval waarin de langstlevende geen deelgenoot in de woning was, de ‘leegwaarde’ aangehouden; de testamentaire voorzieningen ten behoeve van de langstlevende verschaften haar een ongestoorde, voortgezette bewoning van de voormalige echtelijke woning.
Conclusies
Het beeld dat de jurisprudentie te zien geeft (‘leegwaarde‘), wijkt af van de door Kleijn ten tonele gevoerde doctrine (‘waarde bewoond’), hetgeen niet wegneemt dat de uitspraken in een aantal gevallen ruimte laten voor een correctie op de leegwaarde, zij het dat afdoende testamentaire voorzieningen voor een voortgezette bewoning door de langstlevende de noodzaak voor een dergelijke correctie op voorhand lijken weg te nemen.2 Of en in welke mate een waardecorrectie bij afwezigheid van dergelijke voorzieningen zal plaatsvinden, kan uit de behandelde jurisprudentie niet worden achterhaald. Evenmin of daarbij een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de bepaling van de waarde in een ‘vrije’ verdeling en die voor de berekening van de legitimaire massa, nu de behandelde jurisprudentie uitsluitend bedoelde verdelingen betrof.