Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.4.4.2.2
4.2.4.4.2.2 Voorstel voor een zesde richtlijn
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291427:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 5 lid 2, onderdeel a Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 753.
Europees Parlement, maart 1974, nr. 360/24 (niet gepubliceerd).
Verslag van de heer H. Notenboom namens de Commissie voor de begrotingen van het Europees Parlement van 14 februari 1974 nopens het voorstel van de Commissie aan de Raad (doc. 144/73) voor een zesde richtlijn inzake de onderlinge aanpassing van wetgeving der lid-staten betreffende de omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toevoegde waarde: gelijke grondslag, nr. 360/73, p. 12.
Notulen van de vergadering van het Europees Parlement van donderdag 14 maart 1974, PbEG 1974, C 40/32.
Raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belastingen over de toegevoegde waarde: Uniforme belastinggrondslag, PbEG 1974, C 139/17.
Wijzigingen in het Voorstel voor een zesde richtlijn, PbEG 1974, C 121/35.
Toelichting Europese Commissie op de wijzigingen in het voorstel voor een Zesde Richtlijn, COM (74) 795 def, p. 3.
Toelichting Europese Commissie op de wijzigingen in het voorstel voor een Zesde Richtlijn, COM (74) 795 def, p. 7.
Anders: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 165-166 en M.E. van Hilten, ‘Het wel en wee van leasing’, in: De Ware koningin der belastingen. Reugebrink-bundel, Deventer: Kluwer 1990, p. 79.
In art. 5 lid 2, onderdeel b, tweede streepje Voorstel voor een zesde richtlijn is de hand van Bours duidelijk te zien, maar er zijn twee verschillen aan te wijzen. Het eerste verschil is dat de leasing van vastgoed waarbij de eigendom aan het einde van het contract van rechtswege overgaat op de lessee niet wordt genoemd. Dit betekent niet een dergelijke vastgoedtransactie volgens de Europese Commissie geen levering is. Deze vastgoedleasingtransactie kwalificeerde namelijk reeds als een levering op grond van art. 5 lid 2, onderdeel a Voorstel voor een zesde richtlijn (huurkoop). Het tweede verschil met het advies van Bours is wel een materieel verschil. In art. 5 lid 2, onderdeel b, tweede streepje Voorstel voor een zesde richtlijn is namelijk voorgesteld om de financial leasing van vastgoed ook aan te merken als een levering indien de optieprijs in het contract is vastgesteld op de reële waarde van het vastgoed ten tijde van het uitoefenen van het optierecht:
“de afgifte:
(…)
-van een onroerend binnen het kader van een overeenkomst volgens welke het goed gedurende een bepaalde periode in gebruik wordt gegeven, zonder mogelijkheid tot eenzijdige opzegging vanwege de gebruiker en met name binnen het kader van elke overeenkomst waarin het beding voorkomt inhoudende dat de gebruiker aan het einde van de overeenkomst beschikt over een optierecht tot koop van het terrein en/of gebouw, een en ander mits de voor het uitoefenen van het optierecht te betalen prijs:
-slechts een symbolisch bedrag vormt hetwelk met de economische waarde van het goed op het tijdstip waarop het optierecht wordt uitgeoefend geen verband houdt, of
-overeenkomt met de waarde van het terrein zoals deze is vastgesteld op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten en/of met de restwaarde van de gebouwen ten tijde van het uitoefenen van het optierecht, of
-wordt bepaald aan de hand van de reële waarde van het goed ten tijde van het uitoefenen van het optierecht.”
In de toelichting op deze bepaling vermeldt de Europese Commissie:
“(…) Daar deze overeenkomsten bij afloop in het algemeen, zulks naar aanleiding van het uitoefenen van het optierecht tot koop door de gebruiker, tot eigendomsoverdracht leiden, is het om redenen van belastingneutraliteit noodzakelijk het de gebruiker ter beschikking stellen van het goed aan te merken als belastbare levering in de zin van deze richtlijn, daar welbeschouwd dergelijke overeenkomsten in feite tot hetzelfde resultaat voeren als de verkoop op afbetaling.”1
Uit deze toelichting volgt dat het oogmerk was om de huurkoop als bedoeld in art. 5 lid 2, onderdeel a Voorstel voor een zesde richtlijn en de financial leasing van vastgoed voor de btw gelijk te behandelen, omdat bij financial leasing in het algemeen de optie tot koop van het vastgoed wordt uitgeoefend waardoor de financial leasing net als huurkoop leidt tot een eigendomsoverdracht van het vastgoed aan het eind van de ‘rit’.
Het voorgestelde art. 5 lid 2, onderdeel b Voorstel voor een zesde richtlijn heeft het niet gehaald. In het amendement met nummer 24 van de Europese Parlementsleden van de heren Couste en Lenihan (beiden van de fractie van de Europese democraten voor de vooruitgang), is voorgesteld om deze leveringsgelijkstelling te schrappen.2 Dit amendement is vervallen, omdat de Raad in het verslag van de commissie voor de begrotingen van het Europees Parlement3 reeds was geadviseerd om de leveringsgelijkstelling voor financial leasing te schrappen.4 Ook het Economisch en Sociaal Comité was tegen de leveringsgelijkstelling van art. 5 lid 2, onderdeel b Voorstel voor een zesde richtlijn, maar zij richtte haar pijlen op het imperatieve karakter van leveringsgelijkstelling:
“2. Het Comité kant zich tegen de gelijkstelling van de leasing met een levering van goederen (lid 2, sub b)); het zou gaarne zien dat het de Lid-Staten vrij staat, leasing te beschouwen als een verhuring gevolgd door overdracht van een gebruikt goed, dan wel als een overeenkomst die bij het afsluiten ervan reeds een belastbare levering inhoudt. Deze tweede mogelijkheid, die in de richtlijn wordt voorgesteld, heeft tot gevolg dat de B.T.W. bij de levering moet worden betaald, en niet kan worden gespreid over de gehele duur van de overeenkomst.
Het Comité vraagt zich af, of men de Lid-Staten niet beter zelf kan laten kiezen, aangezien de weerslag van beide mogelijkheden op de geharmoniseerde grondslag als geheel beperkt zou zijn en op middellange termijn gelijkheid zou moeten ontstaan.”5
De Europese Commissie heeft de kritiek op art. 5 lid 2, onderdeel b Voorstel voor een Zesde Richtlijn ter harte genomen en voorgesteld om deze leveringsgelijkstelling volledig te schrappen.6 Uit de toelichting van de Europese Commissie blijkt dat de voorgestelde leveringsgelijkstelling voor leasing op het praktische bezwaar stuit dat geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de lessee besluit om de optie tot koop van het (vast)goed niet uit te oefenen en dat voor deze situatie een regeling moet worden getroffen. Om die reden acht de Europese Commissie het praktischer om de financial leasing met een koopoptie als dienst te beschouwen en pas de eventuele uitoefening van het optierecht als een levering te behandelen.7 Aldus worden volgens de Europese Commissie ‘bepaalde technische moeilijkheden vermeden zonder dat de fiscus er enig nadeel van ondervindt, aangezien de leasingtransactie wordt gesplitst in een verhuurverrichting en een verkoopverrichting’.8 Uit deze toelichting in combinatie met het feit dat art. 5 lid 2, onderdeel b Voorstel voor een zesde richtlijn niet is omgezet in een facultatieve leveringsgelijkstelling is af te leiden dat niet beoogd is om de lidstaten de vrijheid te geven om financial leasing (van vastgoed) als een levering te beschouwen.9