Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.2.2
4.2.2 Pensioen: geen verval mogelijk
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687284:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 39. Iets anders is korting door een pensioenfonds, zie paragraaf 4.3.9.
H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 257-259 en p. 304.
H. Thierry, Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf, Amsterdam: H.J. Paris 1930, p. 15-16 en p. 67; H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 260-262; W.F. de Gaay Fortman, De onderneming in het arbeidsrecht, Amsterdam: H.J. Paris 1936, p. 94; G. Nauta, Pensioenfondsen bij particuliere ondernemingen, Praeadvies 1933, p. 5.
Th.L.J. Bod, Pensioen en privaatrecht, Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1979, p. 34; G. Nauta, Pensioenfondsen bij particuliere ondernemingen, Praeadvies 1933, p. 33, die opmerkte dat de voorloper van het huidige artikel 7:653 BW niet van toepassing was indien het concurrentiebeding stond in het pensioenreglement.
H. Thierry, Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf, Amsterdam: H.J. Paris 1930, p. 68 en p. 107; H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 260. Het kwam volgens Thierry overigens ook wel voor dat pensioenreglementen bepaalden dat contractbreuk wegens staking niet tot vervallenverklaring van pensioenaanspraken kon leiden.
H. Thierry, Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf, Amsterdam: H.J. Paris 1930, p. 68 en p. 107; H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 263; Th.L.J. Bod, Pensioen en privaatrecht, Alphen aan den Rijn: Tjeenk Willink 1979, p. 34; L. Roeleveld, Pensioen in het privaatrecht, Preadvies Broederschap der Candidaat-Notarissen van 14 juni 1963, p. 24. Thierry noemde als voorbeeld het reglement van het pensioenfonds van Bierbrouwerij De Amstel dat stelde dat bij ontslag op eigen verzoek of wegens een dringende reden de werknemer niets kreeg, terwijl er bij ontslag wegens verval van functie een recht bestond op een uitkering ineens van 2% van het laatst verdiende loon maal het aantal dienstjaren, en het pensioenreglement van Drukkerij G.J. Thieme, dat bepaalde dat bij ontslag wegens oneerlijkheid of contractbreuk, het bestuur de aanspraken van de werknemer vervallen kón doen verklaren.
H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 130-131. Voor spaarfondsen gold overigens een vergelijkbare regeling als die voor pensioenfondsen (artikel 8 PSW), evenals voor verzekerde pensioenregelingen (artikel 1 onder f van de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 2 december 1953, Stcrt. 4 december 1953, nr. 236).
A. van Doorn, Pensioenvoorziening in de particuliere sector, Preadviezen Vereniging voor staathuishoudkunde, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1964, p. 15.
N.W.A. van Eijk, Het ondernemingspensioenfonds, Leiden: Nederlandsche Uitgeversmaatschappij 1958, p. 29.
H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 259 en p. 262.
Voor de wijzigingen zie Kamerstukken II 1971/72, 11529, nr. 3, p. 7; Kamerstukken II 1985/86, 19638, nr. 3, p. 15; Kamerstukken II 1992/93, 23123, nr. 3, p. 25-27; Kamerstukken II 1998/99, 26415, nr. 3, p. 32-33. E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 760, wijst erop dat artikel 15 Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW het nog wel mogelijk maakte om in verzekeringsovereenkomsten op te nemen dat afkoop mogelijk was indien deelneming binnen een jaar na aanvang van de verzekering van het ouderdomspensioen eindigde, anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum.
Nog verder ingeperkt met de Wet waardeoverdracht klein pensioen: Kamerstukken II 2016/17, 34765, nr. 3 en later verder in Kamerstukken II 2021/22, 36004, nr. 3, p. 3. Als doel voor deze aanscherping wordt hier onder meer genoemd het nadelige gevolg van afkoop voor pensioenopbouw.
Aldus ook: Ph.H.J.G. van Huizen en P.M.C. de Lange, Pensioenverzekering, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1994, p. 20-21 en p. 47-48.
In het oorspronkelijke ontwerp voor de PSW stond opgenomen dat de statuten en reglementen van een pensioenfonds konden bepalen dat bij een ontslag om een dringende reden de premievrije aanspraak ten aanzien van de gedane werkgeversbijdrage kon komen te vervallen. De betreffende bepaling werd echter verwijderd met het amendement De Kort c.s.: Kamerstukken II 1951/52, 1730, nr. 11.
Kamerstukken II 1950/51, 1730, nr. 5, p. 20. Zo ook: H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 264; A.N. Molenaar, Arbeidsrecht, Deel IIB, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1958, p. 2088.
HR 17 december 1965, NJ 1966/202 (De Jong/Bergtraship).
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 118, stelt dat dit onder de Pw niet meer kan, omdat deze zich in verband met formuleringen van niet toegestane voorwaarden richt op de pensioenovereenkomst als basis voor de pensioenaanspraken. Verder: R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 109; M.J. Alsma, ‘Einde deelneming’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 565. Eerder: P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 111; P.M. Tulfer, ‘De Pensioen- en spaarfondsenwet en de verplichting tot evenredige opbouw en financiering van pensioenrechten’, in: M.H. van Coeverden e.a. (red.), Verzorgen of verzilveren? Liber Amicorum voor prof. dr. P.M.C. de Lange, Amersfoort: Sdu 2002, p. 182-183 en p. 206;E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 170. Anders, zij het nog onder de PSW: Ph.H.J.G. van Huizen en P.M.C. de Lange, Pensioenverzekering, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1994, p. 22-23, die menen dat het verdedigbaar is wel een beroep op een dergelijk beding te doen in bijzondere omstandigheden, zoals een ‘fundamentele’ inbreuk op het concurrentiebeding.
Bij pensioen mag verval bij einde dienstverband niet contractueel worden overeengekomen. Pensioenaanspraken dienen behouden te blijven ongeacht de reden voor die beëindiging en diensttijdvereisten zijn maar beperkt mogelijk (artikel 14 Pw en artikel 55 lid 1 Pw). Bij premieovereenkomsten blijft het kapitaal behouden (artikel 55 lid 2 Pw). Ook een beding in de pensioenovereenkomst op grond waarvan een van de partijen opgebouwde aanspraken mag verminderen (bij ontslag) is niet toegestaan.1 Aanspraken op risicobasis mogen overigens wel vervallen bij uitdiensttreding.
Omdat bij (andere) loonverbintenissen enkel artikel 6:248 BW dan wel artikel 7:611 BW verval begrenst, is het interessant om te zien waarom de wetgever voor pensioen fundamenteel andere keuzes heeft gemaakt. Vóór de inwerkingtreding van de PSW in 1954 stelden veel pensioenregelingen vergaande diensttijdvereisten, ook wel bekend onder de noemer wachttijd, voor het verkrijgen van pensioen. Het was niet ongebruikelijk dat pas na vijf of tien, of zelfs pas na 25 of 30 dienstjaren een recht op pensioen ontstond. Een werknemer die tussentijds vertrok, had geen recht op pensioen, vaak ook niet op de eigen bijdragen.2 De gevolgen hiervan waren met name groot voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Als wel iets van hun eigen bijdragen werd terugbetaald, werd daaraan vaak nog het vereiste gesteld van een minimum diensttijd van drie tot vijf jaar. Het gebruik van dit soort wachttijden was uiteraard kostenbeperkend voor de werkgever, een krachtig instrument om de werknemers aan de onderneming te binden, en bovendien een beloning voor langdurige, trouwe dienst.3 De vervalmogelijkheid werd ook gebruikt als concurrentiebeding door pensioenaanspraken vervallen te verklaren bij indiensttreding bij de concurrent4 en diende zelfs als drukmiddel van de werkgever om stakingen te voorkomen.5 Vrijwel altijd vervielen de aanspraken, zelfs als de wachttijd was verstreken, ook bij een ontslag wegens een dringende reden.6
De totstandkoming van de PSW in 1954 veroorzaakte een breuk met dit verleden. Voor wachttijden ging artikel 8 PSW als minimumeis stellen dat alleen aan een werknemer die korter dan één jaar aan het pensioenfonds had deelgenomen, bij vertrek voor de pensioengerechtigde leeftijd niets hoefde te worden meegegeven. Als sprake was van een dienstverband van tussen de een en vijf jaar ontving de werknemer bij vertrek voor de pensioengerechtigde leeftijd een vergoeding van de werknemersbijdrage voor het ouderdomspensioen. De werknemer die bij einde dienstverband meer dan vijf jaar had deelgenomen kreeg recht op een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen op basis van de gedane werkgevers- en werknemersbijdrage, en op een naar redelijkheid vast te stellen aanspraak op weduwenpensioen indien dit was toegezegd. Het ging hier om een minimumvoorziening, met andere woorden het pensioenfonds mocht vrijgeviger zijn.7 Veel pensioenfondsen waren dat echter niet. Bij een premievrij pensioen (met enkel een werkgeversbijdrage) betekende dit zelfs dat er geen enkel pensioen was.8 Dat deze wettelijke regeling pensioenopbouw in de weg stond en de arbeidsmobiliteit beperkte – vertrek vóór een duur van het dienstverband van vijf jaar was immers niet aantrekkelijk – werd al vrij snel ingezien. Terecht vroegen sommige auteurs zich af of een dergelijke gedwongen binding aan de werkgever niet op gespannen voet stond met het grondrecht op vrijheid van arbeid.9 Ook kwam destijds de gedachte op dat pensioen – in ieder geval economisch – als uitgesteld loon moest worden gezien, waardoor een verval bij einde dienstverband niet meer direct voor de hand lag.10 Stapsgewijs werd artikel 8 PSW gedurende de loop der jaren daarom steeds verder aangescherpt.11 Op dit moment kent de wet nog maar een zeer beperkte wachttijd (artikel 14 Pw), gecombineerd met een beperkte afkoopmogelijkheid voor kleine pensioenen (de artikelen 66-69 Pw12), op straffe van nietigheid.
Verval bij einde dienstverband is daarmee definitief in strijd gekomen met het beschermende karakter van de Pw,13 ook bij een ontslag op grond van een dringende reden14 of wegens indiensttreding bij de concurrent. De Tweede Kamer was ten tijde van de totstandkoming van de PSW al van mening dat verval wegens een ontslag op grond van een dringende reden een ‘dubbele straf’ zou opleveren; én een ontslag op staande voet én een verval van pensioenaanspraken.15 De regering meende destijds dat een pensioenregeling werd ‘misbruikt’, indien deze ontslag bemoeilijkte of onmogelijk maakte door indiensttreding bij de concurrent te bestraffen met verval van pensioenaanspraken. Hierdoor zouden werknemers onredelijk sterk gebonden zijn aan de werkgever.16 Hoewel al niet meer mogelijk sinds 1954, oordeelt de Hoge Raad in 1965 nog in het De Jong/Bergtraship-arrest17 dat artikel 8 PSW weliswaar in de weg stond aan vervalbedingen in het pensioenreglement (de relatie uitvoerder/(ex-)werknemer), maar niet in de weg stond aan een vervalbeding voor pensioen in de arbeidsovereenkomst. Algemeen aanvaard is echter inmiddels wel dat het arrest achterhaald is en dergelijke bedingen in strijd met – nu – artikel 55 Pw moeten worden geoordeeld, welk artikel het behoud van aanspraken na het einde van de deelname regelt (het oude artikel 8 PSW).18