Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.1
6.1 Inleiding
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450426:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze termen gebruik ik in dezelfde betekenis.
Kamerstukken II 2007/08, 31 571, nr. 2.
Handelingen I 2011/2012, 33-5-26. Zie in dit verband ook het nieuwe initiatiefwetsvoorstel van Thieme dat in maart 2018 werd ingediend: Kamerstukken II 2017/18, 34 908, nr. 3. Ten tijde van het afronden van dit proefschrift was dit voorstel nog niet plenair door de Tweede Kamer behandeld. Ook was er nog geen advies over gegeven door de Raad van State. Zie hierover 6.6.3.
EHRM 27 juni 2000, nr. 27 417/95, EHRC 2000/66, m.nt. J.H. Gerards; AB 2001, 116, m.nt. B.P. Vermeulen (Cha’are Shalom Ve Tsedek v Frankrijk).
Een belangrijk kenmerk van de traditionele rituele slacht, zoals die in Nederland plaatsvindt door joden en moslims, is dat het dier niet wordt bedwelmd of verdoofd1 voor de slacht. Een onverdoofd dier wordt de hals doorgesneden. Bijna 100 jaar bestaat in het Nederlandse recht ten aanzien van ritueel slachten een uitzondering op het algemeen geldende gebod van bedwelmde slacht. In het verleden kende de wet slechts een uitzondering ten aanzien van de joodse rituele slacht, de sjechita genaamd. Dit is veranderd met de komst van grote groepen moslims naar Nederland waardoor ook de islamitische ritus van het verbod is uitgezonderd. Hoewel de op religie gebaseerde uitzondering op het bedwelmd slachten in het verleden met enige regelmaat ter discussie is gesteld – en ten tijde van de Duitse bezetting (1940-45) zelfs even is geschrapt – geldt dat het bestaan ervan nooit zo aan het wankelen is gebracht als door het wetsvoorstel uit 2008 van Kamerlid Thieme van de Partij voor de Dieren (PvdD).2 Dit voorstel strekte ertoe het op algemene wijze verplicht stellen van de bedwelmde slachtwijze, zonder uitzondering voor gelovigen. Het werd na lang beraad door de Eerste Kamer verworpen.3
Voor dit onderzoek is relevant hoe wetgever en rechter de rituele slacht uitleggen. Betreft deze gedraging een religieuze handeling die beschermd wordt door de godsdienstvrijheid opgenomen in artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet? Waarom is dit wel of niet zo, en wat is de legitimatie voor deze uitleg? In het navolgende bespreek ik de uitleg van rituele slacht in wetgeving en jurisprudentie. Daarbij onderscheid ik de regelingen van de EU, de Raad van Europa en de nationale wetgever (paragraaf 6.2). Ook ga ik in op de wijze waarop in het verleden de rituele slacht door de nationale wetgever werd gedefinieerd (paragraaf 6.3). In de paragrafen 6.4 en 6.5 komt de jurisprudentie aan de orde. Rechterlijke uitspraken ten aanzien van de rituele slacht zijn schaars. We zien dat vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw, toen de islam in Nederland langzamerhand voet aan de grond kreeg, enkele uitspraken worden gedaan ten aanzien van de islamitische rituele slacht. Het EHRM-arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek v Frankrijk4 bespreek ik in paragraaf 6.5. Dit is de enige uitspraak van het EHRM over ritueel slachten. Het ging in deze zaak om een door de Franse staat aan een joodse gemeenschap opgelegd verbod op rituele slacht. Het betrof hier niet een algemeen verbod op rituele slacht, maar een verbod specifiek gericht tot een joodse minderheid die naar eigen religieus inzicht de rituele slacht wilde uitvoeren en ook het vlees dat hiermee verkregen werd op eigen wijze wilde distribueren. De manier waarop het EHRM in dit arrest rituele slacht interpreteert leidde in het parlementaire debat over het wetsvoorstel van Thieme tot veel discussie. Zoals gezegd is met het wetsvoorstel van Thieme een verbod op rituele slacht zeer nabij geweest doch uiteindelijk door de Eerste Kamer verworpen. In de parlementaire discussie over het voorstel vormde de vraag of ritueel slachten een – uitdrukkelijke – godsdienstige handeling is, een belangrijk twistpunt. Er zal dan ook worden ingegaan op de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel (paragraaf 6.6 ). Het hoofdstuk eindigt in paragraaf 6.7 met een conclusie.