Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.2
6.2 De definitie van rituele slacht in de regelingen van de EU, de Raad van Europa en de nationale wetgever
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452782:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van dieren bij het doden (COM (2008)0553 – C6-0451/2008 – 2008/0180(CNS)) 2010/C 212 E/49, PBEU, Nr. CE 212/326.
Verordening (EG) Nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, PBEU L 303/1.
Explanatory Report, https://conventions.coe.int/Treaty/EN/Reports/HTML/102.htm. Gevonden na raadpleging De Blois 2014, p. 348.
Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren, Trb. 1986, 75.
Uitgewerkt in art. 5.4-5.9 van het Besluit houders van dieren, Stb. 2014, 210 (voorheen artikel 44 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van 1992 uitgewerkt in het Besluit ritueel slachten, Stb. 1996, 573).
Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten, Stcrt. 2012, 13162. Inmiddels opgenomen in het Besluit houders van dieren, (hoofdstuk 5). Stb. 2017, 326.
Kamerstukken II 2012/13, 31571, nr. 23. Inmiddels opgenomen in het Besluit houders van dieren (hoofdstuk 5).
Om te achterhalen waaraan de EU-‘wetgever’ denkt bij het begrip ritueel slachten dienen we de EU-verordening inzake de bescherming van dieren bij het doden uit 2009 te raadplegen. In artikel 4 lid 4 van deze verordening is in het kader van religieuze riten een uitzondering opgenomen op het voorafgaand aan de slacht bedwelmen van dieren: ‘Indien dieren worden geslacht volgens speciale wijzen die vereist zijn voor religieuze riten […] zijn de voorschriften […] niet van toepassing […].’ Artikel 2g van deze verordening bevat een definitie van een religieuze rite: ‘een reeks handelingen die verband houden met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst’. Deze definitie heeft een open karakter. Ten eerste wordt niet duidelijk welke handelingen hieronder vallen en ten tweede is niet afgebakend wat onder godsdienst wordt verstaan. In het originele voorstel van de Commissie stond na deze zinsnede nog de toevoeging ‘… als de islam of het jodendom’. De Raad (van ministers) koos echter ervoor om deze toevoeging niet op te nemen. Kennelijk wilde de Raad zich niet binden aan bepaalde religies of de indruk wekken dat religieus slachten voorbehouden is aan joden en moslims.1 De Raad stelt in zijn overwegingen naar aanleiding van de definitieve versie van de verordening dat het van belang is dat de uitzondering op het bedwelmen voorafgaand aan het slachten gehandhaafd blijft, aangezien:
‘… de communautaire voorschriften die van toepassing zijn op religieus slachten, afhankelijk van de nationale contexten verschillend zijn omgezet en gezien het feit dat in de nationale regels rekening wordt gehouden met dimensies die verder gaan dan het doel van deze verordening.’
De staten houden bij de toepassing van deze uitzondering volgens de Raad een bepaalde mate van subsidiariteit. Met deze uitzondering respecteert de verordening de vrijheid van godsdienst, evenals het recht voor iedereen om zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften zoals verankerd in artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus de Raad.2
Op basis van het bovenstaande kunnen we concluderen dat de EU-wetgever ritueel slachten expliciet definieert als een religieuze handeling: een handeling die valt binnen de reikwijdte van de godsdienstvrijheid. Verder is hij voorstander van een subjectiverende manier om tot een begrip van godsdienst te komen: hij houdt in zijn wetgeving principieel rekening met religie van de justitiabele en beperkt zich niet tot de grote religieuze tradities waarin religieuze slacht voorkomt. Dit past in een accommodationistische benadering waarbij zoveel mogelijk getracht wordt om religieuze pluriformiteit te accommoderen.
Behalve de EU-wetgeving is voor de juridische betekenis van rituele slacht het Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren van de Raad van Europa van 1979 van belang. In artikel 17 lid 1 is bepaald dat de verdragsstaten onder andere mogen afwijken van de bepalingen over het bedwelmen van dieren in geval van rituele slacht. Er wordt verder niet ingegaan op wat deze rituele slacht concreet inhoudt. Wel wordt ritueel slachten uitdrukkelijk geassocieerd met de godsdienstvrijheid. In het Explanatory Report staat:
‘… the committee thought it necessary to make an exception in the case of ritual slaughter, in order to respect the principle that everyone is free to manifest his religion, among other things by observering its rites.’3
Ook wordt in artikel 19 van het verdrag bepaald dat de verdragsstaten ervoor zorg moeten dragen dat de rituele slachters zijn erkend door de betreffende religieuze genootschappen. Hieruit kunnen we afleiden dat de Raad van Europa het ritueel slachten impliciet begrijpt als een verschijnsel dat niet is voorbehouden aan één specifieke religie en daarnaast dat het een uiting van een geloofsgemeenschap betreft en bijvoorbeeld niet een individuele geloofsuiting. De Raad lijkt ervan uit te gaan dat het een collectieve uiting is die moet worden uitgevoerd door slachters die zijn erkend door de betreffende religieuze genootschappen.4
In de nationale wetgeving is in artikel 2.10.4 van de Wet dieren van 20115 een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om in het kader van de ‘Israëlitische en islamitische ritus’ dieren te doden zonder bedwelming. Deze bepaling vormt daarmee een uitzondering op het algemene verdovingsgebod. In de Memorie van Toelichting bij de Wet dieren wordt niet ingegaan op wat de Israëlitische en islamitische ritus concreet inhoudt. Wel wordt gesteld dat de uitzonderingen die gelden voor deze riten voortvloeien uit het grondrecht van de godsdienstvrijheid. De wetgever kwalificeert hier met andere woorden het uitvoeren van een rituele slacht volgens de joodse of islamitische godsdienst als een voor het recht geldende godsdienstige handeling. Overigens merkt de wetgever op dat de uitzonderingen op het verdovingsgebod, ‘gezien de toenemende multiculturalisering van de samenleving, in principe niet beperkt zijn tot de Israëlitische en islamitische ritus’.6 Deze opmerking dient vermoedelijk vooral om te benadrukken dat er met deze specifieke uitzonderingen op het verdovingsgebod niet gepoogd wordt om de joodse en islamitische bevolkingsgroep een speciaal voorrecht te geven ten opzichte van andere bevolkingsgroepen.
Ook ten aanzien van de nationale wetgeving kunnen we dus concluderen dat de wetgever uitgaat van een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst. Hij houdt in zijn wetgeving principieel rekening met de religieuze opvattingen van de justitiabele en beperkt het begrip van rituele slacht niet tot de bekende religieuze tradities waarin religieuze slacht voorkomt. Hij doet dit vanuit het oogpunt van de toenemende multiculturalisering van de samenleving wat dus past binnen het filosofische perspectief van het accommodationisme. Overigens moet wel opgemerkt worden dat het kabinet in 2012 – nadat het wetsvoorstel Thieme door de Eerste Kamer werd verworpen – ter verbetering van het dierenwelzijn bij het ritueel slachten slechts een convenant heeft gesloten met vertegenwoordigers van de joodse (Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap) en de islamitische gemeenschap (Contactorgaan Moslims en Overheid).7 Ook de AMvB, waarin de afspraken die in het convenant zijn gemaakt zijn uitgewerkt, is exclusief gericht op de bovengenoemde vertegenwoordigers van de joodse en islamitische gemeenschap. In hoofdstuk 5 van het Besluit houders van dieren stelt de regering de eis dat onverdoofd ritueel slachten slechts plaats kan vinden door een instelling die door de minister is erkend (geregistreerd). In artikel 5.5b lid 2 van dit besluit wordt vervolgens enkel gerept over organisaties die joodse en islamitische gemeenschap (kunnen) vertegenwoordigen.8 Dit wijst erop dat het kabinet ritueel slachten toch vooral begrijpt als een godsdienstige gedraging van de joodse en islamitische traditie. Bovendien gaat het kabinet uit van bepaalde representanten van de joodse en islamitische traditie. Kennelijk is de opvatting dat deze organisaties alle joden en moslims kunnen vertegenwoordigen. Een dergelijke omlijnde duiding van rituele slacht (als een gedraging die is beperkt tot een aantal welbepaalde religieuze tradities) kan worden geassocieerd met ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Men hanteert dan immers een definitie die liberaal is naar de reeds gevestigde religieuze tradities.
Al met al kan ten aanzien van de geldende wetgeving worden geconcludeerd dat de nationale wetgever net als de EU-wetgever en de Raad van Europa de rituele slacht definieert als een godsdienstige gedraging (vallend onder de bescherming van de godsdienstvrijheid). De EU- en nationale wetgever hanteren daarbij een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst godsdienst die geplaatst kan worden binnen het filosofisch perspectief van het accommodationisme. Opvallend is dat de Raad van Europa impliciet ervan uitgaat dat de rituele slacht is voorbehouden aan het collectief en slechts georganiseerd kan worden binnen religieuze gemeenschappen. Niet de enkeling kan besluiten om op eigen houtje een rituele slacht uit te voeren maar dit dient altijd georganiseerd te worden binnen de gemeenschap. Het gegeven dat het kabinet een convenant sloot met een joodse en islamitische organisatie als vertegenwoordigers van alle in Nederland wonende joden en moslims wijst ook in deze richting. We zouden de veronderstelling dat rituele slacht altijd is gebonden aan een religieuze gemeenschap kunnen zien als een zekere objectivering van de betekenis van rituele slacht die in verband kan worden met het ideaaltype van het liberaal-gezindtepluralisme.