Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/1.4.2.2
1.4.2.2 Afbakening tussen het Europees mededingingsrecht en het Nederlands mededingingsrecht
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578719:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 3.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 10 december 1991, zaak C-179/90 (Merci Convenzionali Porto di Genova), Jur. 1991, p. 1-5889. Zie ook Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 3.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 3.
Mok 2004, p. 101. De bepalingen van het nationaal concentratietoezicht zijn op grond van art. 29 Mw van toepassing op concentraties waarbij de gezamenlijke omzet van de betrokken ondernemingen in het voorafgaande kalenderjaar meer bedroeg dan€113 450 000, waarvan door ten minste twee van de betrokken ondernemingen ieder ten minste €30 000 000 in Nederland is behaald. Art. 30 Mw bepaalt de wijze waarop de omzet moet worden berekend. Voor kredietinstellingen, financiële instellingen en verzekeraars gelden op grond van art. 31 Mw bijzondere regels met betrekking tot de berekening van de omzet. Concentraties die op grond van Verordening 139/2004 zijn onderworpen aan het toezicht van de Europese Commissie vallen niet onder het toepassingsbereik van hoofdstuk 5 Mw. Zie over het concentratietoezicht § 5.6.
Dit is ook het beeld dat naar voren komt in het onderzoek van Rodger naar schikkingen die in het Verenigd Koninkrijk zijn overeengekomen met betrekking tot schadevergoedingsacties wegens schendingen van het mededingingsrecht in de periode 2000-2005. Zie Rodger 2008, p. 96-116.
Het Europees mededingingsrecht is van toepassing indien voldaan wordt aan het interstatelijkheidsvereiste. Er dient sprake te zijn van een beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten. Voor de toepassing van artikel 82 EG is tevens vereist dat de desbetreffende onderneming over een machtspositie beschikt op een 'wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt'. Het begrip 'beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten' wordt in de communautaire jurisprudentie zeer ruim uitgelegd. Veel overeenkomsten en mededingingsbeperkende gedragingen die in Nederland worden aangegaan of verricht voldoen dan ook reeds snel aan de interstatelijkheidseis.1 Aan de eis dat sprake dient te zijn van een machtspositie op een 'wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt' wordt in de communautaire jurisprudentie ook relatief snel voldaan.2 Een flinke regio zal in Nederland zelfs kunnen worden gekwalificeerd als een 'wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt'.
Op grond van artikel 3 lid 2 Verordening 1/2003 mag de toepassing van nationaal mededingingsrecht niet leiden tot het verbieden van overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten kunnen beïnvloeden maar de mededinging in de zin van artikel 81 lid 1 EG niet beperken, of aan de voorwaarden van artikel 81 lid 3 EG voldoen of onder een verordening ter uitvoering van artikel 81 lid 3 EG vallen. Het Nederlands mededingingsrecht heeft dan ook voornamelijk een zelfstandige betekenis voor schendingen van het mededingingsrecht waarbij sprake is van een plaatselijke of beperkte regionale omvang.3 Lidstaten mag uit hoofde van Verordening 1/2003 niet worden belet om op hun grondgebied strengere nationale wetten aan te nemen en toe te passen die eenzijdige gedragingen van ondernemingen verbieden of bestraffen.
Indien bij het kartelverbod niet voldaan wordt aan het interstatelijkheidsvereiste, is alleen het nationaal mededingingsrecht van toepassing. Indien bij het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie niet voldaan wordt aan het interstatelijkheidsvereiste en de eis dat de desbetreffende onderneming over een machtspositie beschikt op een 'wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt', is alleen het nationaal mededingingsrecht van toepassing. De werking van het Nederlands mededingingsrecht is tot de Nederlandse markt beperkt op grond van de definitie van het begrip economische machtspositie in artikel 1 sub i Mw en het kartelverbod in artikel 6 Mw (waarbij ik het concentratietoezicht buiten beschouwing laat).4 Zie voor de inhoud en toepasselijkheid van de relevante mededingingsrechtelijke normen mijn bespreking in § 2.3.
Ondanks het feit dat het Europees mededingingsrecht relatief snel van toepassing is, lijkt in de praktijk het aantal zaken voor de nationale rechter waarin een beroep wordt gedaan op het Nederlands mededingingsrecht het aantal zaken waarin een beroep wordt gedaan op het Europees mededingingsrecht nog steeds te overtreffen. Daaruit kan worden afgeleid dat de huidige praktijk van privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht zich nog grotendeels afspeelt rond kleinere geschillen. Wel dient hierbij de kanttekening te worden geplaatst dat het gaat om geschillen die voor de rechter zijn gebracht en niet tot een schikking hebben geleid. In zaken van grotere omvang zal wellicht vaker geschikt worden.5 Daarnaast zal het mededingingsrecht in geschillen van grotere omvang veelal aan de orde komen in arbitrageprocedures.