Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.6:10.4.6 Wijziging van voorlopige preventieve maatregelen
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.6
10.4.6 Wijziging van voorlopige preventieve maatregelen
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. artikel 81, eerste lid Sv en artikel 82, eerste lid Sv in de huidige wet.
Vgl. de vordering tot opheffing van de schorsing in het huidige systeem (artikel 82, eerste lid Sv).
Vgl. artikel 84, eerste lid Sv in de huidige wet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgestelde nieuwe model kan een bevel tot één of meer voorlopige preventieve maatregelen te allen tijde ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte worden gewijzigd door de rechter die het bevel heeft afgegeven.1 Dit geldt ook voor de raadkamer die, op vordering van de officier, de verlenging van een bevel tot voorlopige preventieve maatregelen beveelt. Hierbij geldt dat de rechter de voorlopige preventieve maatregelen slechts kan uitbreiden of verzwaren indien uit bepaalde omstandigheden blijkt dat dit strikt noodzakelijk en proportioneel is om één of meer gevaren (lees: gevaar voor vlucht, maatschappelijke onrust, recidive of belemmering van de waarheidsvinding) die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden. Een vordering van de officier van justitie tot uitbreiding of verzwaring van de voorlopige preventieve maatregelen zal met name aan de orde zijn in gevallen waarin de jeugdreclassering, die toezicht houdt op de minderjarige, melding maakt bij de officier dat de minderjarige de bevolen voorlopige preventieve maatregelen niet naar behoren naleeft.2 Dit kan immers reden zijn om te veronderstellen dat met de reeds bevolen voorlopige preventieve maatregelen niet kan worden volstaan om de aan dit bevel ten grondslag liggende gevaren af te wenden.
In gevallen waarin het niet naleven van de door de rechter bevolen voorlopige preventieve maatregelen door de verdachte, dan wel het manifesteren van omstandigheden die blijk geven van het bestaan van acuut vluchtgevaar, voor de officier van justitie aanleiding geven om over te gaan tot een vordering tot wijziging van de voorlopige preventieve maatregelen, kan de officier van justitie aanhouding van de verdachte bevelen. Vervolgens is de officier gehouden om onverwijld de vordering tot wijziging van de voorlopige preventieve maatregelen in te dienen, waarop de rechter binnen 24 uur moet beslissen.3 Voor aanhouding is echter geen ruimte als de (voorgenomen) vordering van de officier van justitie weliswaar strekt tot uitbreiding of verzwaring van de reeds bevolen voorlopige preventieve maatregelen, maar niet tot een vorm van voorlopige hechtenis (vgl. 9°, 10° en 11° in par. 10.4.2). In die gevallen acht de officier van justitie vrijheidsbeneming van de minderjarige verdachte kennelijk niet strikt noodzakelijk en/of proportioneel voor het afwenden van de gevaren die aan de vordering ten grondslag liggen, waardoor aanhouding (eveneens een vorm van vrijheidsbeneming) ook niet noodzakelijk en/of niet proportioneel kan worden geacht. In dergelijke gevallen moet dan ook worden overgegaan tot het ontbieden van de verdachte voor verhoor bij de officier van justitie, dan wel voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris of de raadkamerzitting.