Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.5
4.5 Art. 6:181 bewerkstelligt geen ‘verlegging’ van aansprakelijkheid maar is een ‘voorrangsregel’
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301650:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 1404 OBW (dieren) waarin de in de wettekst als eerste genoemde persoon – de eigenaar en niet de gebruiker – wetssystematisch ook ‘voorop’ stond. In par. 4.4 heb ik al verdedigd dat voor wat betreft de (onderlinge hiërarchie tussen de) aansprakelijke personen een wezenlijk systeemverschil bestaat tussen art. 1404 OBW enerzijds en anderzijds art. 6:179 (en art. 6:173 en 174) jo. 181.
Tjong Tjin Tai in zijn NJ-noot onder het Loretta-arrest, sub 5; Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 302.
Een en ander geldt ook voor de ‘gesegmenteerde’ aansprakelijkheid van art. 6:175, op grond waarvan de aansprakelijkheid steeds ‘meeverhuist’ naar degene in wiens handen de stof zich ten tijde van de schadeveroorzaking bevindt.
De literatuur en rechtspraak, waarin de bezittersaansprakelijkheid uit art. 6:173, 174 en 179 als uitgangspunt of hoofdregel wordt gezien en die van de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 als uitzondering, doen in mijn ogen geen recht aan de ware verhoudingen. Overigens is het wel verklaarbaar dat de bedoeling van de wetgever niet goed is doorgekomen. Zo valt in de wetsgeschiedenis van art. 6:173, 174, 179 en 181 meermaals de term ‘hoofdregel’ in relatie tot de aansprakelijkheid van de bezitter, terwijl afd. 6.3.2 BW zodanig is geredigeerd dat daarin in art. 6:173, 174 en 179 eerst de bezitter als aansprakelijke persoon wordt geïntroduceerd en daarna, nagenoeg aan het einde van de afdeling, pas de bedrijfsmatige gebruiker in art. 6:181. De term ‘hoofdregel’ ziet als gezegd echter niet op de verhouding tussen de bezitter en de bedrijfsmatige gebruiker, maar op die tussen de bezitter en de ‘bijzondere’ personen waarvoor deze in een aantal specifieke gevallen ‘inwisselbaar’ is. Voor de plaatsing van art. 6:181 in afd. 6.3.2 BW ná art. 6:173, 174 en 179 geldt dat deze als ongelukkig kan worden beschouwd. Daarmee zou immers de indruk gewekt kunnen worden dat de aansprakelijkheid van de als eerste genoemde bezitter het uitgangspunt is waarop die van de (pas) daarna genoemde bedrijfsmatige gebruiker een uitzondering vormt.1 Niettemin krijgt de door mij ontwikkelde gedachte, dat de wetgever voor wat betreft de kwalitatief aansprakelijke persoon heeft bedoeld dat de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’ staat terwijl de bezitter slechts fungeert als ‘vangnet’ bij gebreke van een dergelijke gebruiker, inmiddels bijval.2
In dit licht komt ook de woordkeuze van de Hoge Raad in het Loretta-arrest, waarin wordt gesproken van een door art. 6:181 bewerkstelligde ‘verlegging’ van aansprakelijkheid van de bezitter naar de bedrijfsmatige gebruiker, minder gelukkig voor. Bedoelde term impliceert naar mijn mening ten onrechte dat in het stelsel van art. 6:179 (alsmede art. 6:173 en 174) jo. 181 de aansprakelijkheid van de bezitter steeds het uitgangspunt is, waarop die van de bedrijfsmatige gebruiker een uitzondering vormt. Zelfs wanneer van bedrijfsmatig gebruik door een ander dan de bezitter aanvankelijk geen sprake is maar later wel, komt de term ‘verlegging’ van aansprakelijkheid niet zuiver voor. De kwalitatieve aansprakelijkheid treedt immers pas in op het moment van de schadeveroorzaking. Vindt deze plaats wanneer eenmaal sprake is van bedrijfsmatig gebruik, dan rust de aansprakelijkheid ingevolge art. 6:181 van meet af aan op de bedrijfsmatige gebruiker zónder (eerst) op de in art. 6:173, 174 en 179 genoemde bezitter te hebben gerust. Zo bracht in de Loretta-zaak Van de Water als particuliere bezitter zijn paard op zeker moment ‘ter belering’ onder bij manege De Gulle Ruif. De kwalitatieve aansprakelijkheid (van de manege) trad in toen het paard op de manege de 10-jarige Marloes in het gezicht trapte. Deze aansprakelijkheid heeft nimmer op Van de Water als ‘achterliggende’ bezitter gerust; van een ‘verlegging’ van aansprakelijkheid van de bezitter naar de manege als bedrijfsmatige gebruiker was geen sprake. In geval van bedrijfsmatig gebruik wordt in het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 aan het ‘vangnet’ van de bezitter niet toegekomen. Art. 6:181 is in mijn ogen dan ook beter te beschouwen als een ‘voorrangsregel’ op grond waarvan de bedrijfsmatige gebruiker ‘rechtstreeks’, zónder ‘tussenkomst’ van de bezitter, dé aansprakelijke is. Met andere woorden, art. 6:181 heeft voor wat betreft de aansprakelijke persoon exclusieve werking ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179.
De term ‘verlegging’ van aansprakelijkheid lijkt evenwel beter te passen in de context van lid 2 (en lid 3) van art. 6:181. Deze bepaling beoogt een regeling te geven voor gevallen waarin sprake is van meerdere bedrijfsmatige gebruikers van de in de art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken: zodra deze in de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt ‘door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander’, dan is ‘die ander’ de op grond van art. 6:181 lid 1 aansprakelijke. Zodra een bedrijfsmatige gebruiker een zaak ter beschikking stelt aan een andere bedrijfsmatige gebruiker, verplaatst de aansprakelijkheid zich daarmee dus ook naar die ander. Gezegd zou kunnen worden dat lid 2 (en ook lid 3) van art. 6:181 de aansprakelijkheid ‘verlegt’ naar de eindgebruiker. Niettemin geldt ook hier dat wanneer een eenmaal aan een ander ter beschikking gestelde zaak schade veroorzaakt, de aansprakelijkheid (pas) op dát moment intreedt. Alsdan rust de aansprakelijkheid ingevolge lid 2 (en ook lid 3) van art. 6:181 derhalve rechtstreeks op (alleen) ‘de laatste in de keten’, zonder dat deze eerst op de ‘uitlener’ heeft gerust.3 Wederom een exclusieve werking van de door art. 6:181, in dit geval lid 2 (en lid 3), in het leven geroepen aansprakelijkheid.
Bezien we tot slot nog art. 1404 OBW (dieren), dan zou de term ‘verlegging’ van aansprakelijkheid van de eigenaar naar de gebruiker daar meer op zijn plaats zijn geweest dan bij art. 6:179 (alsmede art. 6:173 en 174) jo. 181. Binnen art. 1404 OBW was de aansprakelijkheid van de eigenaar immers wél steeds het vertrekpunt, waarop die van de gebruiker in een beperkt aantal gevallen een uitzondering maakte. Ook hier kan echter de kanttekening worden geplaatst dat de aansprakelijkheid ex art. 1404 OBW pas intrad op het moment van het ontstaan van de schade. Was dat ten tijde van het gebruik van het dier door een ander dan de eigenaar, dan rustte enkel op die ander de aansprakelijkheid zónder dat deze (eerst) op de eigenaar had gerust. Ook hier strikt genomen dus geen ‘verlegging’ van aansprakelijkheid, maar – zuiverder – een exclusieve werking van de in art. 1404 OBW opgenomen gebruikersaansprakelijkheid.