Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.5.2.3
II.3.5.2.3 Betrouwbaarheid van (neuro)geheugendetectie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454367:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
E.H. Meijer, N. Klein Selle, L. Elber & G. Ben-Shakar, ‘Memory detection with the Concealed Information Test: A meta analysis of skin conductance, respiration, heart rate, and P300 data’, Psychophysiology 2014, 9, p. 899.
Zie J.E.R. Frijters, ‘De geuridentificatieproef in het licht van het falsificatiebeginsel’, NJB 2006, 17, p. 945-948 en A.P.A. Broeders, ‘Forensische wetenschap: de stand van zaken’, in: A.P.A. Broeders & E.R. Muller (red.), Forensische wetenschap, Deventer: Kluwer 2008, p. 34-35 voor een bespreking van de betrouwbaarheid van deze vorm van onderzoek.
Zie G.J.R. Maat, L. Meijerman, W.J. Groen & R.R.R. Gerretsen, ‘Forensische antropologie’, in: A.P.A. Broeders & E.R. Muller (red.), Forensische wetenschap, Deventer: Kluwer 2008, p. 317-319.
Uit wetenschappelijk onderzoeken volgt dat de test een sensitiviteit en specificiteit van ongeveer 0.8 respectievelijk 0.94 heeft. Hoewel de test dus niet foutloos kan worden toegepast (overigens zou een terechte vraag zijn of er een methode bestaat die op geen enkele wijze foutieve resultaten oplevert (waarbij de vraag stellen, hem beantwoorden is)), zijn de resultaten uit laboratoriumonderzoek voor experimenteel onderzoek sterk.1 In 80 procent van de onderzoeken wordt een persoon die daderkennis bezit herkend en in 20 procent wordt de persoon die daderkennis bezit ten onterechte niet herkend (een vals-negatieve classificatie). In 94 procent van de onderzoeken wordt een persoon zonder daderkennis terecht als onschuldig beoordeeld en in 6 procent wordt vals-positief geclassificeerd. Deze sensitiviteit en specificiteit zijn niet slechter dan van al in het strafprocesrecht gebruikte methode, zoals de geuridentificatieproef,2 handschriftanalyse en oorafdrukanalyse3. Daar komt bij dat de uitslag, via de unus-testisregel, nooit als enige bewijsmiddel tot een bewezenverklaring kan leiden. Bij deze correcte classificatieratio en als onderdeel van een keten aan bewijs levert de GKT voldoende betrouwbaar bewijs op om te gebruiken in het strafprocesrecht. Het is derhalve een effectieve methode.
Dit geldt echter alleen voor het opstellen en afname van de test in overeenstemming met de in dit hoofdstuk besproken aandachtspunten. De belangrijkste daarbij zijn (1) het registreren van meerdere fysiologische en/of neuropsychologische maten en; (2) waarborgen tegen lekkage van informatie. Meerdere registraties zijn om drie redenen belangrijk. Ten eerste verhoogt het de kans op correcte classificatie. Ten tweede zorgt het voor een intern controlemechanisme omdat de verschillende maten met elkaar kunnen worden vergeleken. Ten derde is het zo goed als onmogelijk op alle registraties tegenmaatregelen te gebruiken. Waarborgen tegen lekkage zijn essentieel omdat met de test alleen kan worden vastgesteld of iemand daderkennis bezit en niet hoe hij de kennis heeft verkregen. Idealiter wordt de test voor het eerste verhoor afgenomen omdat het verhoor het grootste gevaar vormt. Eventuele afname na een verhoor is alleen mogelijk mits (1) elk verhoor ten minste auditief wordt opgenomen zodat kan worden gecontroleerd of de verhorende ambtenaren daderkennis hebben prijsgegeven; (2) de verdediging pas na de afname van de GKT inzage in het dossier krijgen en; (3) politie en justitie opsporing via de media mijden.