Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.2.3:8.2.3 Hoe is in de jurisprudentie gereageerd op de wetswijzigingen?
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.2.3
8.2.3 Hoe is in de jurisprudentie gereageerd op de wetswijzigingen?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258847:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 12 mei 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AK9642, RSV 1992/303.
CRvB 29 oktober 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2133, RSV 1992/101.
CRvB 9 april 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:AK9329, RSV 1991/247.
CRvB 12 mei 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AK9642, RSV 1992/303.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter heeft zich niet bemoeid met de beleidskeuzes die zijn gemaakt ten aanzien van het bepalen van het arbeidsverleden voor de koppeling aan de duur. In 1992 overwoog de CRvB dat het niet aan de rechter is om de innerlijke waarde of de billijkheid van de betrokken bepaling te beoordelen.1 De duur van de WW is dwingend recht, dus er was niet veel ruimte voor de rechter om anders te beslissen. Op sommige onderdelen was er mijns inziens wel ruimte geweest voor de rechter om het beleid van het kabinet met betrekking tot de duur te toetsen, namelijk als discriminatie en gebreken in het overgangsrecht werden aangevoerd. In de uitspraak opgenomen in RSV 1992,1012 werd aan de Raad de situatie voorgelegd dat het arbeidsverleden van voor de 18-jarige leeftijd moest meetellen voor het recht op en de duur van de uitkering, omdat de klager voor die leeftijd al een arbeidsverleden had opgebouwd. De Raad overwoog dat dit geen leemte in de wet is die hij kan opvullen. Het systeem van artikel 42 lid 3 WW is door de wetgever volstrekt duidelijk neergelegd. Ook in de uitspraak opgenomen in RSV 1991, 2473 vangen klagers bot. De Raad oordeelde dat vrouwen door de jareneis wel werden benadeeld, te weten 20 procent in de leeftijdscategorie 40-49 jaar, maar dit verschil was niet aanmerkelijk genoeg om een vermoeden van (indirecte) discriminatie op te leveren. Ook de mogelijkheid voor een uitzendkracht om haar uren per week te middelen werd door de Raad afgewezen, omdat de tekst van artikel 42 lid 2 WW dat niet toeliet.4