Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.B.1:1. Algemeen
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.B.1
1. Algemeen
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476170:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wetten van 11 juli 1882, Stb. 1882, nrs. 92 en 93.
Aldus F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert het jaar 1810, eerste deel, p. 208.
Zie tevens HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7739. Zie tevens NTFR 2006/492, V-N 2006/21.19, alsmede J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…)
m. door het bureau beheer landbouwgronden;
(…)
u. door Staatsbosbeheer van objecten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer, niet zijnde bedrijfsondersteunende onroerende zaken;”
Deze vrijstellingen roepen herinneringen op aan de wetten van 11 juli 1882.1 In deze wetten was opgenomen dat de aankoop en de ruiling van onroerend goed door het Rijk gratis geregistreerd werden.2 De vrijstellingen zoals opgenomen in de onderdelen m en u van artikel 15, lid 1 WBR hebben eenzelfde inslag: verkrijging van onroerende zaken door (semi-)overheidsinstanties en aanverwante organisaties dient zoveel mogelijk fiscaal neutraal plaats te vinden. Goed beschouwd zijn de vrijstellingen van de onderdelen m en u dan ook complementen van de algemene vrijstelling voor openbare lichamen ex artikel 15, lid 1, onderdeel c, WBR. De Hoge Raad heeft in het kader van laatstgenoemde vrijstelling in 2006 beslist dat zoveel mogelijk publiekrechtelijke lichamen met een publieke taak onder het begrip openbaar lichaam vallen.3 Met enige ruime uitleg zou, langs deze lijnen geredeneerd, zowel het BBL als Staatsbosbeheer direct onder het bereik onderdeel c kunnen vallen, zodat het bestaan van de onderdelen m en u strikt genomen als onnodig zou kunnen worden gekwalificeerd. Echter, gezien het feit dat de beide instanties weliswaar publiekrechtelijk van aard zijn, maar niet kunnen worden gekenmerkt als openbaar lichaam, is het bestaan van de beide separate vrijstellingen mijns inziens zeer wel verklaarbaar.