Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.4.2:3.3.4.2 ‘krachtens de wet en de statuten’
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.4.2
3.3.4.2 ‘krachtens de wet en de statuten’
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487392:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Onder ‘en’ moeten we verstaan ‘en/of’.
De Monchy/Timmerman 1991, p. 49.
Mohr 1992, p. 12.
Asser-Maeijer 2-III, nr. 454.
Handboek 1992, p. 245-246.
Slagter 2005, p. 57.
Huizink, Rechtspersonen (kluwer), art. 8, aant. 6.
Blanco Fernández 2002, p. 125 e.v.
Thans art. 3:162 lid 4 Wft.
Kamerstukken II1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 59. Evenzeer: Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3,5 en 6), p. 167.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Betrokkenheid bij de organisatie van de rechtspersoon volstaat nog niet om onder het toepassingsbereik van art. 2:8 BW te vallen. Daarvoor is ook vereist dat sprake is van betrokkenheid ‘krachtens de wet en 1 de statuten’. Volgens onder andere Timmerman 2 en Mohr 3 ligt het voor de hand onder ‘de wet’ in artikel 2:8 lid 1 uitsluitend Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te verstaan. Timmerman geeft als onderbouwing dat de ook in art. 2:8 genoemde statuten het meest logisch aansluiten op Boek 2 BW. Mohr geeft geen andere onderbouwing dan dat dat, hoewel de tekst zulks niet met zoveel woorden tot uitdrukking brengt, ‘duidelijk is’. Ook Maeijer 4 en Van der Grinten 5 denken daar zo over. Daarentegen gaan onder meer Slagter, 6 Huizink 7 en Blanco Fernández 8 uit van een ruimer begrip. Volgens Slagter omvat‘de wet’in art. 2:8 in ieder geval het gehele BW, maar wellicht ook andere wetten die bij de organisatie van de rechtspersoon een rol kunnen spelen. In dat verband noemt Slagter, en met hem Huizink, de Wet op de ondernemingsraden. Blanco Fernández lijkt zover niet te gaan. Weliswaar vindt ook hij dat‘de wet’méér is dan Boek 2, het moet wel gaan om wetsbepalingen die een rechtspersonenrechtelijke verhouding regelen. Als voorbeeld noemt Blanco Fernández de op grond van artikel 71 Wet Toezicht Kredietwezen 1992 9 benoemde bewindvoerder. Geen van de hiervoor genoemde schrijvers heeft een‘harde’ onderbouwing van zijn standpunt. Ik tref in de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet NBW een goed aanknopingspunt voor de stelling dat onder meer ook de Wet op de ondernemingsraden onder‘de wet’ begrepen moet worden. 10 Met betrekking tot art. 2:14 BW valt daar het volgende te lezen:
‘Lid 1 stelt de algemene regel voorop dat een besluit in strijd met de wet of statuten nietig is. Het slot herinnert er echter aan dat zulk een strijd niet altijd met nietigheid wordt gesanctioneerd. Men zie daartoe in de eerste plaats artikel 15, dat strijd met de bepalingen omtrent de totstandkoming van besluiten slechts vernietigbaar maakt. Voorts denke men aan de voorschriften die een bepaalde rechtsgang voor de vernietiging van besluiten inhouden, zoals de artikelen 999-1001 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering…Hetzelfde geldt voor de besluiten als bedoeld in de artikelen 25, 27 lid 1 en 31 11 van de Wet op de ondernemingsraden, gezien het bepaalde in de artikelen 26, 27 lid 5 en 36 van die wet.’
Indien volgens de wetgever tot de in art. 14 lid 1 bedoelde wet de artt. 25, 27 en 30 WOR behoren, kan het niet anders of óók in art. 2:8 BW dient onder ‘de wet’ mede de Wet op de ondernemingsraden begrepen te worden.