De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.1:6.6.1 Historische context
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.6.1
6.6.1 Historische context
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949374:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De examens in de verschillende onderwijssectoren zijn in de afgelopen eeuwen afzonderlijk van elkaar tot stand gekomen. De verschillen tussen de examens uit de verschillende sectoren zijn daardoor vrij groot. De afsluiting van het primair onderwijs wijkt fundamenteel af van de wijze waarop de andere onderwijssectoren het onderwijs afsluiten. Het primair onderwijs kent immers geen examen. In plaats daarvan ligt de nadruk op het schooladvies ten behoeve van de doorstroom naar het voortgezet onderwijs. Hiervoor is gekozen omdat de wetgever belang hecht aan het oordeel van de leraar over de gehele schoolloopbaan van de leerling.
Het voortgezet onderwijs heeft sinds 1963 een eindexamen bestaande uit zowel een schoolexamen als een van overheidswege vormgegeven centraal examen. Deze balans tussen een schoolexamen en een van overheidswege vormgegeven examen is sindsdien vrijwel ongewijzigd gebleven. De wetgever heeft gekozen voor de invoering van een schoolexamen, naast het centraal examen, omdat niemand beter in staat is de leerling te beoordelen dan de leraar. Het middelbaar beroepsonderwijs komt deels voort uit het voortgezet onderwijs. Desalniettemin heeft het beroepsonderwijs een eigen wijze van examinering. Bij de examinering in het middelbaar beroepsonderwijs is het beroepenveld in sterke mate betrokken. In het verleden werden de examens zelfs afgenomen door de landelijke organen die het beroepenveld vertegenwoordigden. Nu is het beroepenveld middels de SBB mede betrokken bij het ontwerpen van de kwalificatiestructuur van het beroepsonderwijs. Het examen strekt zich vervolgens uit over de kwalificatie en een of meer keuzedelen en bestaat uit een instellingsexamen en een van overheidswege vormgegeven centraal examen.
Het hoger onderwijs heeft in tegenstelling tot de andere onderwijssectoren geen van overheidswege vormgegeven examen. De ontwikkelingen ten aanzien van de examens in het hoger onderwijs zijn voortgekomen uit veranderingen in specifiek deze onderwijssector. Zoals de opkomst van de bijzondere universiteiten, groeiende aantallen studenten en de behoefte aan meer autonomie voor de instellingen voor hoger onderwijs. Hierdoor heeft het examen in het hoger onderwijs zich op een eigen wijze ontwikkeld waarbij tentamens en autonomie van de examinator centraal staan.
Zoals hiervoor beschreven zijn de verschillen in de wijze waarop de examens zijn geregeld in de verschillende onderwijssectoren groot. Dit komt voornamelijk doordat de wetgever niet heeft gepoogd om de regeling van de examens in de verschillende sectoren op elkaar af te stemmen. De examens in de verschillende sectoren zijn – begrijpelijkerwijs – voornamelijk ingericht om aan te sluiten op de kenmerken van en behoeften in de betreffende sector.