Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/4.2.1
4.2.1 Positieve definitie aandeel
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299012:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Prinsen 2004, p. 55 e.v.
Zie in dit verband nader: Prinsen 2004, p. 55-56.
Prinsen 2004, p. 56.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 202.
De definitie van Prinsen lijkt (in ieder geval grotendeels) te zijn gebaseerd op de definitie als gegeven door Maeijer in zijn noot bij het arrest Poot/ABP (HR 2 december 1994, NJ1995, 288 m.nt. Maeijer) en Asser/Maeijer 2000, nr. 180, zijnde: ‘Het aandeel is een vermogensrecht van eigen aard (…)’.
Meijers 1948, p. 268; Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 161, 166, 173; Asser/Maeijer 2000, nr. 180.
Prinsen 2004, p. 56.
HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer.
Zie in dit verband: Schild 2012, p. 117-225. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.2., zal nader op deze invloed worden ingegaan.
De wettelijke definitie van het aandeel is voor de naamloze vennootschap neergelegd in artikel 2:79 lid 1 BW. Hier wordt het aandeel gedefinieerd als:
‘Aandelen zijn de gedeelten, waarin het maatschappelijk kapitaal bij de statuten is verdeeld.’
Prinsen merkt op dat deze definitie in een tweetal opzichten tekortschiet.1 Allereerst schiet zij te kort, omdat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het wel en niet-geplaatste kapitaal. Ten tweede is deze positieve definitie niet zozeer een definitie van het aandeel, maar van het geplaatst kapitaal.2 Prinsen formuleert vervolgens zijn eigen definitie van het begrip aandeel. Hij schrijft:
‘Aandelen zijn vermogensrechten van eigen aard op het geplaatste kapitaal van een NV.’3
Deze definitie is vervolgens overgenomen door onder meer Van Solinge en Nieuwe Weme.4 De definitie van Prinsen valt in twee onderdelen uiteen. Het aandeel is (i) een vermogensrecht (in de zin van artikel 3:6 BW) en dit vermogensrecht is (ii) van eigen aard.5 Een definitie van een vermogensrecht wordt gegeven in artikel 3:6 BW:
‘Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.’
Dat het aandeel een vermogensrecht is, werd reeds eerder betoogd in de literatuur6 en werd door de Hoge Raad bevestigd in onder meer het arrest Poot/ABP.7 Het aandeel is echter geen goederenrechtelijk recht of vorderingsrecht. Het aandeel is een vermogensrecht van eigen aard. Prinsen schrijft over deze eigen aard:
‘Het eigene van de aard van aandelen is gelegen in de bijzondere wettelijke regeling ervan in de vennootschapsrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW.’8
De bron is derhalve gelegen in Boek 2 BW, aldus Prinsen. De Hoge Raad overweegt, zij het enigszins versluierd, dat het aandeel een relatief karakter heeft.9 Desalniettemin kan de absolute werking van het vermogensrechtelijke karakter van het aandeel wel invloed hebben op de positie van het aandeel en de aandeelhouder. Een voorbeeld hiervan is de invloed van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: artikel 1 EP).10