De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.3.1:4.3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.3.1
4.3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948251:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Hemel, Beschikken over een aandeel in een gemeenschap: een rechtsvergelijkende studie 1998, p. 295 en M.J.A. van Mourik, ‘Verdeling van een eenvoudige gemeenschap: de transformatie- en titelproblematiek’, WPNR 2018/7190, p. 316-318.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
236. In de vorige paragraaf is verdedigd dat de declaratieve werking van de verdeling niet goed past bij de huidige goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap. Dit roept vervolgens wel de vraag op hoe artikel 3:186 lid 2 BW dan moet worden bekeken. Zoals hiervóór reeds aangegeven, bepaalt dit artikel dat hetgeen een deelgenoot verkrijgt, door hem onder dezelfde titel wordt gehouden als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden (zie randnummer 213 hiervóór). In paragraaf 4.2.1 en 4.2.2 is reeds uiteengezet dat dit artikel vaak zo wordt begrepen dat met ‘de titel waaronder een goed wordt gehouden’ wordt bedoeld ’de titel waaronder (de grond waarop) dat goed door de deelgenoten is verkregen’ en dat uit artikel 3:186 lid 2 BW zou voortvloeien dat een verkrijging krachtens verdeling een verkrijging is onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed tezamen vóór de verdeling hielden. In dat geval ligt in artikel 3:186 lid 2 BW de (bevestiging) van de declaratieve werking van de verdeling besloten en moet de verdeling wellicht tóch als declaratief worden beschouwd. De redenering zou dan zijn dat de verdeling weliswaar als een zelfstandige verkrijging kwalificeert, maar dat voor de vraag krachtens welke titel de goederen bij de verdeling zijn verkregen, die titel op grond van artikel 3:186 lid 2 BW volledig ‘weggedacht’ dient te worden. Het resultaat is daar dan van dat het goed alsnog ‘uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger’ van de deelgenoten wordt geacht te zijn verkregen.
237. Naar mijn mening gaat deze opvatting uit van een onjuiste interpretatie van de werking en betekenis van artikel 3:186 lid 2 BW. Om dat duidelijk te maken, zal in deze paragraaf eerst worden teruggegaan naar de rol die artikel 3:186 lid 2 BW in het Ontwerp Meijers bij de verdeling innam (zie paragraaf 4.3.2). Vervolgens zal worden bepleit dat de rol van artikel 3:186 lid 2 BW in de loop van de wetgevingsgeschiedenis ten onrechte is gewijzigd (zie paragraaf 4.3.3) en dat daarvoor géén goede argumenten zijn te vinden. Tot slot zal in paragraaf 4.3.4 uiteen gezet worden dat artikel 3:186 lid 2 BW niet zo moet worden gelezen dat een deelgenoot na de verdeling een goed ook onder de titel(s) gaat houden waaronder de andere deelgenoten dat goed hielden. In de literatuur wordt ten onrechte nog wel eens anders beweerd.1