Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.2
IV.6.2 Criteria
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460314:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting ad art. 6.3.1. Ontwerp-BW, blz. 632, gevonden in Van Nispen 1978, nr. 86; HR 4 januari 1952, ECLI:NL:HR:1952:175, NJ 1953/158, m.nt. Houwing.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/153; Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad, II.1.2.1.2.1.
Van Nispen 1978, nr. 31; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/153; Bleeker 2017, p. 185-196; Nuninga 2018, par. 2.1.
Zie voor een overzicht van de vereisten van het rechterlijk bevel Asser 6-IV, nr. 153; Deurvorst, in: GS Onrechtmatige daad, II.1.2.1.1.3; Van Nispen 1978.
Zie voor een mooi overzicht van de standpunten Jansen 2020.
Zie bijvoorbeeld Bleeker 2018c, p. 292; Cf. Gillaerts & Nuninga 2019, p. 46.
In deze zin ook Jansen 2021, p. 297.
Een voorbeeld van een toepassing van het relativiteitsvereiste bij een gebodsactie kan worden gevonden in HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8178, NJ 2003/706, m.nt. De Groot (Pharmacia/Cosmétique I) en HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485 (Pharmacia/Cosmétique II).
Zie Nuninga 2018 over de betekenis van het relativiteitsvereiste in de gebodsactie. Zie verder Gillaerts & Nuninga 2019, par. 3.3.4. Zie voorts opmerkingen in Bleeker 2017, par. 4 over de relativiteitsleer buiten de schadevergoedingsacties.
Ik wil hier benadrukken dat er een reële dreiging van onrechtmatig handelen moet bestaan, en dus niet een reële dreiging van schade. Dit onderscheid wordt soms over het hoofd gezien, bijvoorbeeld in Hartlief e.a. 2018, nr. 331.
Zo bezien zou de eis van reële dreiging gezien kunnen worden als een uitvloeisel van de voldoende belang-eis. Van Nispen 1978, p. 191-192. Zie ook HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217, m.nt. Koopmans waarin de Hoge Raad het als volgt formuleert: ‘dat een concreet belang bestaat, in die zin dat er een reële dreiging is dat de handelingen die (de eiser) verboden wil zien, zullen worden verricht’. Ik wijs erop dat voldoende belang meeromvattend is dan de dreiging van de rechtsplichtschending, en andersom, dat een dreigende rechtsplichtschending niet altijd voldoende belang oplevert. Zie voorts Bleeker 2018b, par. 2.
Strikt genomen is voldoende belang niet alleen een constitutief vereiste voor het rechterlijke bevel, maar voor iedere rechtsvordering.
Zie uitvoerig over de processuele en materiële kant van het vereiste van voldoende belang: Jongbloed, in: GS Vermogensrecht, artikel 3:303 BW, aant. 3; Deurvorst, in GS Onrechtmatige daad, II.1.2.1.2.8; Frenk 1994, p. 35-36. Over het vereiste van voldoende belang in het kader van het rechterlijk bevel: Bleeker 2018b, par. 2 en 3.
Zie verder over processueel belang in het kader van het rechterlijk bevel: Bleeker 2018b, par. 2.2 en 3.2.
Voor nadere toelichting en meer voor voorbeelden van materieel belang: Bleeker 2018b, par. 2.4 en 3.4.
Zie Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 1.6.4; Wiggers-Rust 2011, p. 46, 79; Kamerstukken II 1992/93, 22486, nr. 5; zie over de relatie tussen rechtssubjectiviteit en voldoende belang onder meer Van Wijmen 1981, p. 117; Frenk 1994, p. 1; Verburgh 1975, p. 48.
Zie in algemene zin over de nalevingsplicht van bestuurders: De Roo 2018.
De grondslag voor een rechterlijk bevel – een civielrechtelijke remedie die ook wel bekend staat als ‘gebodsactie’, ‘verbodsactie’ of ‘nakomingsactie’ (ik gebruik ze hierna afwisselend) – is te vinden in artikel 3:296 BW. Dit artikel luidt als volgt:
Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld.
Artikel 3:296 BW wordt doorgaans geassocieerd met de nakomingsactie van verbintenissen uit overeenkomsten. Maar met een rechterlijk bevel kan ook de naleving van andere verplichtingen dan die uit contractuele verbintenissen worden afgedwongen; het woord ‘verplichting’ heeft betrekking op rechtsplichten in het algemeen. Met een verbods- of gebodsactie kan bijvoorbeeld ook worden afgedwongen dat een ander zich onthoudt van het plegen van een onrechtmatige daad.
Voor de vereisten van een rechterlijk bevel zal men weinig aanwijzingen vinden in de wet. Het leerstuk is vrijwel volledig ontwikkeld in de literatuur en jurisprudentie. Omdat het aansprakelijkheidsrecht in de regel primair geassocieerd wordt met de schadevergoedingsactie, pleegt men in de literatuur over het rechterlijk bevel eerst te bespreken welke criteria niet gelden bij de gebodsactie ten opzichte van de schadevergoedingsactie. Allereerst is van belang te benadrukken dat voor de toewijzing van een gebodsactie geen schade is vereist.1 Zelfs is niet vereist dat de eiser door de dreigende onrechtmatige gedraging schade zal leiden.2 Evenmin is vereist voor de toewijzing van een bevel of verbod dat de gedraging toerekenbaar aan de gedaagde is: verwijtbaarheid zijdens gedaagde speelt dus geen rol bij het rechterlijk bevel.3 Causaliteit zoals we deze kennen van de schadevergoedingsactie – in de zin van een CSQN-verband of redelijke toerekening in de zin van artikel 6:98 BW – is ook geen vereiste voor het toewijzen van het rechterlijk bevel en verbod.4
Welke voorwaarden gelden dan wel voor een rechterlijk bevel? Uit artikel 3:296 BW volgt dat de gedaagde jegens de ander verplicht moet zijn iets te geven, te doen of te laten. Er moet, met andere worden, voor de nakomingsactie sprake zijn van een rechtsplicht. In dit kader is opnieuw artikel 6:162 lid 2 BW relevant: dit artikel wordt gezien als de grondslag voor de rechtsplicht dat men zich dient te onthouden van het handelen in strijd met andermans subjectieve rechten, de wet en het ongeschreven recht.5
Is het nodig voor een rechterlijk bevel dat de te verbieden gedraging kan worden aangemerkt als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW? Kan de rechtsplicht bij de eerste twee onrechtmatigheidsgronden – inbreuk op een subjectief recht of strijd met een wettelijke plicht – niet rechtstreeks worden vastgesteld, dus zonder tussenkomst van artikel 6:162 lid 2 BW? Over het antwoord op deze vragen wordt verschillend gedacht.6 In eerdere publicaties sprak ik in het kader van het rechterlijk bevel telkens over de ‘rechtsplicht om zich te onthouden van een onrechtmatige daad’, waarmee ik suggereer dat artikel 6:162 lid 2 BW – een bepaling die eigenlijk thuishoort in het schadevergoedingsrecht – een constitutieve plek heeft bij de vordering van een rechterlijk bevel in buitencontractuele situaties.7 Dit standpunt wil ik nuanceren.
Dat men rechtens gehouden is tot de naleving van wettelijke voorschriften en het respecteren van andermans subjectieve rechten behoeft geen discussie. Daarom is voor deze gevallen artikel 6:162 lid 2 BW niet nodig voor het vaststellen van een rechtsplicht. Aan het zelfstandige karakter van die rechtsplichten doet niet af dat de schending ervan ook een onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Daarom is er op het eerste gezicht voor rechtsplichten die voortvloeien uit wettelijke voorschriften of subjectieve rechten geen aanleiding voor (doch ook geen fundamenteel bezwaar tegen) een omweg via lid 2 van artikel 6:162 BW.
Dat men met een doen of nalaten in strijd met ‘hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’ niet alleen een maatschappelijke-, maar ook een juridische plicht schendt, is wellicht minder evident. Daarnaast is in sommige gevallen ook bij strijd met een wettelijk voorschrift of inbreuk op een recht een aanvullend beroep nodig op het ongeschreven recht om tot een concrete gedragsnorm te komen.8 Wanneer met een rechterlijk bevel de naleving wordt gevorderd van een rechtsplicht die (mede) is gebaseerd op het ongeschreven recht, blijft een beroep op artikel 6:162 lid 2 BW mijns inziens nodig. Omdat de verwijzing naar onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW voor sommige gebodsacties nodig is, en voor andere gebodsacties geen kwaad kan, zal ik na deze kanttekening blijven spreken van een ‘rechtsplicht om zich te onthouden van een onrechtmatige daad’. Ik vul het rechtsplicht-vereiste dus in aan de hand van artikel 6:162 lid 2 BW, waardoor wat ik heb geschreven in paragraaf IV.5.3.4 mutatis mutandis ook relevant is voor de vordering van een rechterlijk bevel.
Ten tweede blijkt uit de formulering van artikel 3:296 BW dat het rechterlijke bevel alleen kan worden toegewezen als de gedaagde jegens de eiser gehouden is tot de naleving van een rechtsplicht. De gebodsactie kent dus net als de schadevergoedingsactie een relativiteitsvereiste: de norm die geschonden dreigt te worden moet strekken tot de bescherming van de belangen van de eiser.9 Omdat artikel 6:163 BW niet geldt in het kader van het rechterlijk bevel, ligt de nadruk op het personele element van het relativiteitsvereiste: welke personen beoogt de norm te beschermen? Dit is ook logisch, nu de andere twee elementen van relativiteit nauw samenhangen met schade, en schade speelt als gezegd niet bij elke gebodsactie een rol.10
Ten derde moet er sprake zijn van een reële dreiging dat de rechtsplicht waar de eiser een beroep op doet zal worden geschonden.11 De achterliggende gedachte is dat de rechter zich niet bezig hoeft te houden met het verbieden van gedragingen waarvan niet aannemelijk is dat ze zullen voorvallen.12
Ten vierde en ten slotte, moet de eiser van het gebod of verbod voldoende belang hebben in de zin van artikel 3:303 BW.13 Het vereiste van voldoende belang heeft twee dimensies: processueel belang en materieel belang. Kort gezegd ziet het processuele belang op het belang van de eiser bij de rechtsvordering, en gaat het materiële belang over het belang van de eiser bij de rechtsbetrekking die aan zijn vordering ten grondslag ligt.14 Vertaald naar het rechterlijk bevel, kan bijvoorbeeld het processuele belang ontbreken wanneer het gevorderde bevel ongeschikt is om de schending van de rechtsplicht te voorkomen of de onrechtmatige situatie te beëindigen.15
Bijvoorbeeld, als een belangenorganisatie die opkomt voor een bepaald bosgebied een kapverbod vordert terwijl de bomen reeds gekapt zijn, strandt de vordering op processueel belang. Het rechterlijk verbod is dan mosterd na de maaltijd.
Het materiële belang kan bijvoorbeeld ontbreken wanneer het belang dat de eiser stelt te hebben bij de uitoefening van zijn recht niet groot genoeg is, of niet binnen de beschermingssfeer van het privaatrecht valt.16
Zo wordt in de literatuur aangenomen dat voor materieel belang in de zin van artikel 3:303 BW is vereist dat het belang herleidbaar is tot een rechtssubject. Dieren, planten en ecosystemen zijn geen rechtssubjecten. Daarom wordt in de literatuur aangenomen dat zuiver ecologische milieubelangen alleen indirect beschermd kunnen worden in het privaatrecht; door ze te koppelen aan het belang van een rechtssubject.17
Nadat is vastgesteld dat de rechter een gebod of verbod kan opleggen, rest natuurlijk de vraag hoe dat bevel er moet uitzien. Nuninga wijst er terecht op dat de strekking van het bevel moet corresponderen met de rechtsplicht. Dit noemt hij het congruentievereiste: de rechter kan de gedaagde niet bevelen om meer te doen dan waartoe hij op grond van de ingeroepen rechtsplicht gehouden is.
Bijvoorbeeld, wanneer een bedrijf de emissienormen uit zijn vergunning overschrijdt, dan is er weliswaar sprake van een schending van een rechtsplicht jegens omwonenden die belang hebben bij het beëindigen van de onrechtmatige situatie, maar omwonenden kunnen niet van de rechter vorderen het bedrijf te bevelen om de gehele emissie-uitstoot te staken. De rechtsplicht jegens de omwonenden is immers beperkt tot de naleving van de vergunning, op basis waarvan een bepaalde uitstoot wel is toegestaan.
Ingevolge het vereiste van een rechtsplicht en het congruentievereiste, kan een leidinggevende niet het onmogelijke worden gevraagd: er bestaat immers geen rechtsplicht te bewerkstelligen wat buiten je macht ligt.
Bijvoorbeeld: bij een meerhoofdig bestuur kan een daartoe onbevoegde enkeling niet worden opgedragen kostbare milieumaatregelen te treffen voor het beëindigen van een milieuovertreding. Hooguit zou ieder bestuurslid individueel kunnen worden bevolen om in te stemmen met de maatregelen die nodig zijn om de rechtmatige toestand te herstellen. De nalevingsplicht die rust op het bestuur als geheel is ook een rechtens afdwingbare verplichting.18