Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.1:IV.6.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.6.1
IV.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460386:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Instemmend Van Nispen 2003, p. 4-8; Keirse 2009, p. 95-104; Franken 2010; Keirse 2014; Spier 2008, en de oratie van Van Boom 2006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf ging ik in op de verhaalsmogelijkheden die artikel 6:162 BW biedt wanneer een leidinggevende functionaris toerekenbaar een milieuovertreding begaat waardoor een derde milieuschade ondervindt. De schadevergoedingsvordering is de aangewezen remedie om de schadelijke gevolgen van een milieuovertreding ongedaan te maken. Maar voorkomen is beter dan genezen.1 Wanneer een milieuovertreding aanstaande is, of als er sprake is van een milieuovertreding die (nog) geen schade heeft aangericht, dan hoeft voor rechtsbescherming gelukkig niet te worden afgewacht tot het kwaad is geschied. Met een rechterlijk bevel in de zin van artikel 3:296 BW kan een gerechtigde via de rechter afdwingen dat een leidinggevende zijn milieuverplichtingen naleeft.
Het rechterlijk bevel heeft nog weinig aandacht gekregen in het bestuurdersaansprakelijkheidsdebat en ook in milieurechtelijke kringen is er nog weinig geschreven over de mogelijkheid om deze remedie te gebruiken tegen natuurlijke personen die leiding geven binnen een onderneming. Het rechterlijk bevel zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het bewerkstelligen dat natuurlijke personen binnen bedrijven de tot hen gerichte (milieu)verplichtingen naleven. Vandaar dat ik in het kader van dit hoofdstuk ook de mogelijkheid verken om in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden een rechterlijk bevel te vorderen.
Omdat de vereisten voor een rechterlijk bevel die voortvloeien uit artikel 3:296 BW relatief onbekend zijn, schets ik hierna in paragraaf IV.6.2 eerst in vogelvlucht de criteria. Bij een gebodsactie die is ingesteld tegen een bestuurder van een rechtspersoon, kan de vraag rijzen of de ernstig verwijt-maatstaf moet worden toegepast. In paragraaf IV.2-IV.4 heb ik toegelicht waarom deze maatstaf buiten toepassing dient te blijven wanneer een schadevergoeding wordt gevorderd van een bestuurder, hierna bespreek ik in paragraaf IV.6.3 waarom de ernstig verwijt-maatstaf ook geen plaats heeft in het kader van een rechterlijk bevel. Nadat de vereisten van artikel 3:296 BW aan bod zijn gekomen, bespreek ik in paragraaf IV.6.4 enkele toepassingen van het rechterlijk bevel. Ook doe ik enkele aanbevelingen voor nader onderzoek in paragraaf IV.6.5. Ik sluit af met een korte tussenconclusie in paragraaf IV.6.6.