Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/4.6:4.6 Samenvatting, bijzonderheden en aanbevelingen voor verbeterde controle
Startinformatie in het strafproces 2014/4.6
4.6 Samenvatting, bijzonderheden en aanbevelingen voor verbeterde controle
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoge Raad 19 februari 2013, NJ 2013, 308 m.nt. Keulen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft dit type startinformatie spelen de in de inleiding uitgewerkte vier fasen, waarbij moet worden aangetekend dat de vierde fase (het gebruik van startinformatie voor het bewijs) geen rol speelt nu anonieme tips praktisch niet voor het bewijs worden gebruikt en hier gelet op het bepaalde in art. 344a Sv de facto ook niet toe kunnen worden gebezigd. Specifiek aan dit soort startinformatie is dat geen toetsing van de betrouwbaarheid plaatsvindt voordat de informatie wordt doorgespeeld aan de politie en dat bovendien ook de politie in het ongewisse verkeert over de identiteit van de anonieme tipgever. Dit is een juridisch relevante bijzonderheid die verbonden is aan dit type startinformatie. Het risico dat de doorgespeelde informatie vals is, is door deze bijzonderheid bij dit type startinformatie dan ook het meest aanwezig en daarom moet door officier van justitie en rechter veel waarde worden gehecht aan het verrichten van aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek voorafgaand aan het toepassen van een dwangmiddel.
Ten aanzien van het politieel betrouwbaarheidsonderzoek bestaat ruimte voor differentiatie. Ziet de melding bijvoorbeeld op de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij dan dient de politie eerst een aantal, door het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet gelegitimeerde, onderzoekshandelingen te verrichten alvorens het toepassen van een dwangmiddel gerechtvaardigd is. De lat van het aanvullend onderzoek dient met andere woorden bij anonieme meldingen die goed verifieerbaar zijn door middel van nader onderzoek hoog te liggen. Bij tips over bijvoorbeeld de aanwezigheid van vuurwapens, die in de regel minder gemakkelijk zijn te verifiëren, ligt de lat doorgaans lager. Het gevaarzettende karakter van het zich ongecontroleerd in het maatschappelijk verkeer bevinden van dat soort voorwerpen kan hieraan ten grondslag worden gelegd. Het voorgaande ontheft de politie echter niet van de plicht ook bij dit type meldingen te allen tijde zoveel mogelijk inspanningen te verrichten om de anonieme informatie bevestigd te krijgen. De (zaaks)officier dan wel de r-c moet hierop toezien. De geschetste differentiatie laat het spanningsveld zien tussen privacybescherming enerzijds en opsporingsbelangen anderzijds. Het is te billijken dat bijvoorbeeld bij een melding over vuurwapens de balans gemakkelijker doorslaat naar het belang van de opsporing. Niettemin brengt dat wel twee risico’s met zich. Allereerst kan door in dat soort zaken de lat van het aanvullend onderzoek lager te leggen, het vaker voorkomen dat bijvoorbeeld een woning wordt betreden zonder dat daadwerkelijk een vuurwapen wordt gevonden. Ten tweede bestaat het risico dat dit dan gebeurt op basis van informatie waarvan de anonieme melder weet dat deze onwaar is. Het risico wordt met andere woorden groter dat dit type meldingen door een burger wordt gebruikt om een andere burger een hak te zetten. Uit de jurisprudentie en enkele rapporten van de Nationale ombudsman vloeit voort dat aanvullend politieel onderzoek niet in alle gevallen wordt verricht. De vraag rijst of gelet hierop een richtlijn moet worden geconcipieerd die het uitvoeren van dit onderzoek verplicht stelt. Die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Politie en OM moeten vanuit hun professionaliteit zijn doordrongen van de noodzaak van aanvullend onderzoek bij dit specifieke type startinformatie. Een richtlijn vervult in deze geen meerwaarde, temeer als wordt bedacht dat de zittingsrechter op dit punt belangrijke externe controle uitoefent dan wel dient uit te oefenen.
De externe controle die de zittingsrechter achteraf uitoefent is van groot belang, nu hij in laatste instantie beoordeelt of een verdenking kon bestaan op basis van de gegevens die beschikbaar waren voorafgaand aan het toepassen van het dwangmiddel. Hij toetst met andere woorden of gerechtvaardigd gebruik is gemaakt van een privacyschendend dan wel vrijheidsbenemend middel. De beslissing van de zittingsrechter op dit punt, en met name de strafprocessuele sanctie die aan dit oordeel wordt verbonden, wint nog meer aan belang als wordt bedacht dat zij naar alle waarschijnlijkheid direct doorwerkt in de praktijk: wordt de lat van het aanvullend onderzoek door de zittingsrechter hoog gelegd dan spoort dit de politie aan tot het verrichten van uitgebreider aanvullende onderzoek alvorens dwangmiddelen worden toegepast, wordt de lat echter laag gelegd dan wordt het signaal afgegeven dat niet of nauwelijks onderzoek hoeft te worden verricht ter toetsing van een anonieme melding. Uit de jurisprudentie op dit punt kan worden afgeleid dat een strafrechtelijk onderzoek kan starten op basis van een anonieme melding van een burger, mits de tip concreet en gedetailleerd is. Op grond van dat soort informatie kan dus nader onderzoek van de politie plaatsvinden. Uit de lagere jurisprudentie volgt dat in veel gevallen wel nadere eisen worden gesteld in het geval op basis van een anonieme melding een dwangmiddel wordt toegepast. De Hoge Raad laat evenwel in het midden of, en zo ja in welke gevallen de anonieme informatie zijn bevestiging dient te vinden in de resultaten van aanvullend onderzoek. Het verdient de voorkeur dat de Hoge Raad nadrukkelijker naar voren brengt dat hij bij dit specifieke type startinformatie belang hecht aan het aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek voorafgaand aan het toepassen van dwangmiddelen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen door te verlangen dat de tactische recherche de binnen het bereik van art. 3 Politiewet liggende onderzoeksmogelijkheden uitput alvorens tot een dwangmiddel wordt overgegaan en ook duidelijk aangeeft in een proces-verbaal welke handelingen (al dan niet vruchteloos) zijn verricht. Doorgaans wordt in de lagere jurisprudentie vereist dat aanvullende onderzoekgegevens de anonieme informatie bevestigen; hiermee wordt impliciet aan het in het tweede lid van art. 8 EVRM besloten liggende subsidiariteitsbeginsel getoetst. Wat betreft de omvang en de resultaten van aanvullend onderzoek is wel ruimte voor de eerder geschetste differentiatie, waarbij ten minste de volgende vier factoren de zittingsrechter een houvast bieden:
het (vermeend) strafwaardige gedrag waar de anonieme melding op ziet;
de (gepercipieerde) urgentie tot spoedig strafvorderlijk optreden;
de mogelijkheid tot het vergaren van aanvullende gegevens; en
het soort dwangmiddel dat wordt ingezet.
De rechter dient, indachtig deze factoren, de lat bij het aanvullend onderzoek naar aanleiding van een melding over bijvoorbeeld vuurwapens in de regel lager te leggen, terwijl diezelfde lat bij het ter bevestiging van onder meer een anonieme tip over de aanwezigheid van een hennepkwekerij verrichte aanvullend onderzoek aanzienlijk hoger moet worden gelegd. Bij dit laatste type anonieme meldingen zal de rechter dus eerder en binnen de context van het verdenkingsbegrip tot het oordeel moeten komen dat geen rechtvaardiging bestond voor het toepassen van een dwangmiddel op het moment dat de politie opsporingshandelingen heeft laten liggen. Komt hij tot dit oordeel dan kan op grond van art. 359a Sv een strafprocessuele sanctie volgen, waarbij in het licht van de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad in veel gevallen strafvermindering de hoogst denkbare sanctie is.1 Gesteld kan echter worden dat, hoewel enigszins in weerwil van deze jurisprudentie, (via de verboden vruchtenleer) bewijsuitsluiting moet volgen als een woning op ontoereikende gronden is binnengevallen. Dergelijk overheidsoptreden brengt immers met zich dat ongerechtvaardigd inbreuk wordt gemaakt op een zwaarwegend grondrecht van de verdachte, te weten het in art. 12 Grondwet en art. 8 EVRM beschermde huisrecht, zeker als er geen enkele formele magistratelijke controle is geweest zoals zich tot op heden voordoet bij het toepassen van art. 49 WWM en art. 9 Ow. Een zware sanctie is dan geboden, ook met het oog op de signaalfunctie die dit strafprocessuele gevolg heeft. In relatie hiermee bestaat bovendien op basis van jurisprudentie van het EHRM een taak voor de wetgever om art. 49 WWM en 9 Ow te wijzigen als de inzet van deze dwangmiddelen leidt tot het betreden of doorzoeken van woningen, in die zin dat voorafgaande rechterlijke controle dan wettelijk verplicht moet worden gesteld. Het belang van het zoveel mogelijk beschermen van het huisrecht kan hieraan ten grondslag worden gelegd.