Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/9.4.2
9.4.2 Het nationale waterplan
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS449854:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ministerie van VenW e.a. 2009a.
Aldus artikel 4.1, derde lid sub a Ww.
Ministerie van VenW 2009a, p. 104.
Ministerie van VenW 2009a, p. 128.
Ministerie van VenW 2009a, p. 85 en 128.
Ministerie van VenW 2009a, p. 131.
Ministerie van VenW 2009a, p. 173, 184.
De (concept) instandhoudingsdoelstellingen van praktisch alle Nederlandse Natura 2000-gebieden waren ten tijde van het opstellen van de waterplannen beschikbaar op de website van het Ministerie van LNV (thans: EZ).
Thans zijn praktisch alle Nederlandse Natura 2000-gebieden aangewezen op basis van artikel 10a, eerste lid Nbw 1998.
Ministerie van VenW 2009b, p. 15 en 30, 32 en Ministerie van VenW 2009c, p. 15, 26 en 32.
Hieronder worden verstaan: wateren die vallen onder het beheer van de Minister van I&M.
Ministerie van VenW 2009b, p. 60 en in vergelijkbare zin Ministerie van VenW 2009c, p. 55-56.
Ministerie van VenW 2009b, p. 61.
De betekenis van deze beleidsmatige norm en de juridische verankering daarvan worden uitgewerkt in Commissie Integraal Waterbeheer 2003, p. 35 e.v.
Ministerie van VenW 2009b, p. 131 en 137.
Ministerie van VenW 2009c, p. 129-130.
Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (thans: I&M) heeft in 2009 het nationale waterplan voor de periode 2009-2015 vastgesteld.1 Op basis van de Ww is het verplicht om de stroomgebiedbeheerplannen2 voor de Eems, Rijn, Maas en de Schelde, voor zover die betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied, op te nemen in het nationale waterplan.3 De stroomgebiedbeheerplannen zijn als bijlage aan het nationale waterplan toegevoegd.4 In dit plan wordt gesteld dat natuur (gebiedsbescherming) en de beschikbaarheid van voldoende water van een goede kwaliteit onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘natte natuur’ en natuur afhankelijk van een goede waterkwaliteit. In het waterplan is gestreefd naar ‘synergie’ tussen de doelstellingen van de Krw, Vrl en de Hrl. Het is noodzakelijk om de waterkwaliteit te verbeteren en maatregelen te treffen ten behoeve van een andere inrichting van waterlichamen. Dit doel kan worden gerealiseerd door de aanleg van natuurvriendelijke oevers, ‘hermeandering’ van beken en de aanleg van vispassages.5 Het nationale waterplan besteed veel aandacht aan de verdrogingsproblematiek in Natura 2000-gebieden en de EHS. In een aantal gevallen dreigt, indien er niet op korte termijn maatregelen worden genomen, een achteruitgang van habitats en soorten. De gebieden die het betreft worden aangemerkt als een ‘sense-of-urgency’-gebied. Ingevolge de eisen met betrekking tot beschermde gebieden moeten de waterkwaliteit en waterkwantiteit in alle Natura 2000-gebieden uiterlijk in 2015 aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water voldoen.6 Desondanks bevat het nationale waterplan maar een beperkt aantal Krw-maatregelen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Deze maatregelen zijn globaal geformuleerd en een tijdsplanning ontbreekt. Op meerdere plaatsen in het nationale waterplan wordt aanvullend onderzoek aangekondigd naar de mogelijkheden om de doelstellingen van de Krw – met inachtneming van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden – te realiseren.7 In het plan wordt de nadruk gelegd op de nog aan te wijzen Natura 2000-gebieden en de nog vast te stellen instandhoudingsdoelstellingen.8 De opstellers van het nationale waterplan lijken te suggereren dat het nog niet mogelijk is om maatregelen vast te leggen. Dit is geen overtuigend argument omdat ten tijde van het vaststellen van het nationale waterplan voor bijna alle Natura 2000-gebieden concept-instandhoudingsdoelstellingen beschikbaar waren.9 In de praktijk worden deze doelstellingen in bijna alle gevallen in ongewijzigde vorm overgenomen in de definitieve aanwijzingsbesluiten.10
De stroomgebiedbeheerplannen bevatten in vergelijking met het algemene deel van het nationale waterplan veel informatie over Natura 2000-gebieden in de verschillende stroomgebieden.11 Veelal wordt gesteld dat de aanwezigheid van bepaalde habitattypen en soorten is gerelateerd aan de kwantiteit en kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Bij het vaststellen van doelstellingen voor de waterkwantiteit en -kwaliteit moet rekening worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van habitats en soorten. Dit is noodzakelijk om conflicterende situaties te voorkomen. Volgens de opstellers van het plan zijn de doelen voor de rijkswateren12 al ‘merendeels’ afgestemd met doelstellingen van de Vrl en de Hrl. Toch ontbreken concrete beleidsdoelstellingen. Dit zou nog niet mogelijk zijn vanwege het ontbreken van definitieve instandhoudingsdoelstellingen en beheerplannen.13 De waterbehoefte van een Natura 2000-gebied speelt een rol bij de vaststelling van het Gewenste Grond- en Oppervlaktewaterregime (GGOR).14 Het GGOR is geen juridische maar een beleidsmatige term, die wordt gebruikt om in waterplannen en andere afspraken over waterbeheer beleidsdoelstellingen vast te leggen.15 Ieder stroomgebiedbeheerplan bevat een apart maatregelenprogramma. Opvallend genoeg bevat dit programma niet voor alle Natura 2000-gebieden met een ‘sense-of-urgency’-status maatregelen. Daarover in het kort het volgende:
In het stroomgebied van de Rijn liggen 22 ‘sense-of-urgency’-gebieden. In 14 van de 22 gebieden zijn de watercondities vrijwel op orde of kunnen op basis van een bestaand maatregelenpakket op orde worden gebracht. Voor drie gebieden (Lemselermaten, Landgoederen Brummen en de Gelderse Poort) zijn de knelpunten en de oplossingen bekend maar moet nog regionale besluitvorming plaatsvinden. Het is onduidelijk om welk type regionale besluitvorming het gaat. Het stroomgebiedbeheerplan voor de Rijn verschaft op dit punt geen uitsluitsel. In 4 andere Natura 2000-gebieden (Duinen Schiermonnikoog, Oude Gaasterbekken/Fluessen, Binnenveld/Bennekomse Meent en Oostelijke Vechtplassen) dreigt onherstelbare schade aan kwalificerende natuurwaarden, maar is nader onderzoek en besluitvorming noodzakelijk met betrekking tot de benodigde maatregelen. Dit gebeurt bij het vaststellen van de beheerplannen voor de genoemde Natura 2000-gebieden.16 De uitvoering van de benodigde maatregelen is afhankelijk van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (thans: I&M) en het Ministerie van EZ. Hierbij kunnen eventueel afstemmingsproblemen optreden. Het stroomgebied van de Maas kent 4 ‘sense-of-urgency’ gebieden. Voor het Ulvenhoutse Bos zijn knelpunten bekend maar moet verdere regionale besluitvorming worden afgewacht. In de overige drie Natura 2000-gebieden speelt een nutriëntenproblematiek. Dit mestprobleem moet na 2015 met behulp van een generiek mestbeleid worden opgelost.17 In beide stroomgebiedbeheerplannen ontbreekt een duidelijke omschrijving van de benodigde maatregelen. De uitwerking van deze maatregelen wordt doorgeschoven naar de nog vast te stellen (Natura 2000) beheerplannen.