Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.4
3.2.4 Herziening Wetboek van Koophandel (1835-1836)
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192680:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de parlementaire geschiedenis van deze nooit ingevoerde titel uitvoerig: Voorduin 1841, p. 839-883. Zie hierover ook: Noordam 2007, p. 190-192.
Deze gekwalificeerde meerderheid kon volgens art. 2 van het wetsontwerp op twee manieren tot stand komen. Allereerst werd de vereiste meerderheid behaald wanneer twee derde van de concurrente schuldeisers, vertegenwoordigende drie vierde gedeelte van de niet bevoorrechte, noch door pand of hypotheek gedekte schuldvorderingen voor het akkoordvoorstel stemden. De gekwalificeerde meerderheid kon ook bestaan uit drie vierde gedeelte van de schuldeisers, vertegenwoordigende twee derde van de schuldvorderingen.
Handelingen der Staten-Generaal 1835/36, no. IV, p. 66.
Voorduin 1841, p. 851.
Voorduin 1841, p. 840, 856-860 en 876-877; Parker de Ruyter Rocher van Renays 1838, p. 404-405 en 444-445; Ribbius 1927.
Kamerleden Op den Hooff en Van Rappard refereren hieraan tijdens de behandeling van het wetsontwerp, vgl. Voorduin 1841, p. 863 en 868-870.
Handelingen der Staten-Generaal 1835-1836, p. 271-286.
Voorduin 1841, p. 860-883.
43. Na afloop van de Franse bezetting werkte de wetgever aan het Wetboek van Koophandel, ter vervanging van de Franse Code de Commerce. Het wetsontwerp daterend van 21 oktober 1835 voorzag in een titel genaamd ‘Van homologatie van accoord buiten failliet-verklaring’.1
Op grond van de voorgestelde regeling zou de Hoge Raad een onderhands akkoord kunnen homologeren wanneer dat door een gekwalificeerde meerderheid2 van de schuldeisers was aangenomen. Daarmee zou een koopman zijn onderneming kunnen voortzetten “zonder dat de smet van faillissement op hem zal kleven”.3 Volgens de wetgever bestond er een “gegrond vooruitzigt” dat ook de schuldeisers beter af zouden zijn met de homologatie van een dergelijk akkoord: de kosten van een faillissement zouden immers worden voorkomen, hetgeen de uitkering aan de schuldeisers zou vergroten.4
De regering beoogde tegemoet te komen aan een in de praktijk gevoelde behoefte. Schuldenaren vroegen regelmatig surseance van betaling aan, louter om gedurende dat uitstel tot een akkoord met hun schuldeisers te komen. De regering wilde met het wetsontwerp ook een destijds bestaande praktijk reguleren. Sinds 1815 is met enige regelmaat een akkoord buiten faillissement gehomologeerd door koning Willem I, die zich daarbij beriep op zijn bevoegdheid ex plenitude potestatis, op grond van de volheid van zijn macht.5 De grondslag van die bevoegdheid van de soeverein was echter onduidelijk en omstreden.6 Omdat de bevoegdheid van de koning geen duidelijke wettelijke grondslag had, kende de procedure geen formaliteiten en waarborgen tegen misbruik. De regering beoogde met het wetsontwerp te voorzien in een in de wet verankerde, met waarborgen omklede regeling.
Met name Tweede Kamerlid Donker Curtius van Tienhoven pleitte vurig voor de voorgestelde titel. Hij stelde dat het Wetboek van Koophandel een “gaaping” bevatte voor de door “buitengewone rampspoedige omstandigheden” geraakte koopman. Die beschikte immers niet over de mogelijkheid middels een “redelijk accoord het hoofd weer te kunnen opbeuren en zich geheel of gedeeltelijk te herstellen”. In zijn betoog, inmiddels bijna twee eeuwen oud, beschrijft hij het in de 21ste eeuw nog even actuele probleem van dwarsliggende crediteuren die hun nuisance value willen verzilveren:
“Het (de schuldenaar, AM) vraagt en verkrijgt niet zelden door anderen, ja, dijkwijls door eigen schuldeisers geholpen, op dien grond voor ’s hands en onder de hand de teekening der vereischte meerderheid der schuldeisers op het accoord. Die meerderheid ziet haar eigen voordeel en dat van allen in zoodanig accoord boven bereddering in cas van faillissement; maar eene onwillige minderheid, somtijds een enkel wrevelig en magtig schuldeischer, blijft weigerachtig, somtijds zelfs met het doel om ten koste van allen voor zich alleen een voordeeliger accoord te bedingen.”7
Het ontwerp voor de titel inzake het ‘accoord buiten failliet-verklaring’ werd met 31 tegenstemmen tegenover 3 vóórstemmen verworpen. De tegenstanders bestempelden het voorstel onder meer als nutteloos, ondoelmatig en gevaarlijk. Het wetsontwerp bevatte bovendien vele formaliteiten, ingebouwd om misbruik van de regeling tegen te gaan. Zo zou er een verificatieprocedure onder toezicht van de rechter-commissaris plaatsvinden en was er een rol weggelegd voor een raad-rapporteur en het OM, alvorens de Hoge Raad tot homologatie kon besluiten. De Kamerleden meenden dat die ingewikkelde waarborgen ertoe zouden leiden dat de akkoordprocedure buiten faillissement minstens zo kostbaar en tijdrovend zou zijn als de totstandkoming van het faillissementsakkoord.8