Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.2.4.b
6.2.4.b Samenwerkende aandeelhouders
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 327a(2) jo. § 16(4) AktG. Voor de bijzondere uitkoopregeling geldt hetzelfde, zie § 39a(2) WpÜG. Zie hierover ook Moritz (2004), p. 97-99; Stohlmeier (2007), p. 138-139.
Het begrip abhängige Unternehmen (§ 17 AktG) is vergelijkbaar met het begrip dochtermaatschappij in art. 2:24a BW. In de meeste gevallen is een abhängige Unternehmen ook een Konzernunternehmen (groepsmaatschappij) als bedoeld in § 17 AktG.
Moritz (2004), p. 102.
S. 987 CA 2006. Hierover Palmer (2013), nr. 12.338.
S. 975(4) CA 2006. De aandelen die een associate gedurende de looptijd van het bod verkrijgt, tellen echter wel mee voor de vraag op hoeveel aandelen het bod zag, s. 979(9)(10) CA 2006. Onder de definitie van associate vallen ingevolge s. 988(1) CA 2006, ‘(a) a nominee of the offeror, (b) a holding company, subsidiary or fellow subsidiary of the offeror or a nominee of such a holding company, subsidiary or fellow subsidiary, (c) a body corporate in which the offeror is substantially interested, (d) a person who is, or is a nominee of, a party to a share acquisition agreement with the offeror, or (e) (where the offeror is an individual) his spouse or civil partner and any minor child or step-child of his.’.
Art. 513 § 1W.Venn en art. 42 Overname-KB.
Art. 513§ 1 sub a, b en c W.Venn. Zie over situaties onder (i) en (ii) Wyckaert (2008), p. 82-90 en over de situatie onder (iii) Van der Elst (2008), p. 343-345; Verhoest (2008), p. 177-178.
Evenzo Commissie-Winter (2002a), p. 64; Van der Elst (2008), p. 342.
Volgens Leijten (2003), p. 60, kunnen partijen die samen optrekken bij een openbaar bod legitieme redenen hebben om de aandelen niet in een gezamenlijke holding onder te brengen. Hij noemt als voorbeeld het bod dat een consortium van zeven bieders in 2002 op Uni-Invest uitbracht. Het verwerven door één gezamenlijke holding van het onder het bod aangemelde 99%-belang zou de holding een prohibitieve aanslag overdrachtsbelasting bezorgen. Leijten vraagt zich af of in een dergelijke situatie het niet onredelijk is dat partijen naar alternatieven moeten zoeken om de resterende aandelen te verkrijgen.
Verhoest (2008), p. 178.
Overigens is Van der Elst (2008), p. 343 van mening dat onder situatie (i) een groep aandeelhouders kan besluiten tot samenwerken en een uitkoopbod kan uitbrengen zonder dat voorafgaand een verplicht of vrijwillig bod is uitgebracht.
Op grond van de Nederlandse uitkoopregeling kunnen aandeelhouders slechts gezamenlijk een vordering instellen, indien zij groepsmaatschappijen zijn. In de onderzochte landen kunnen aandeelhouders ook op andere gronden tezamen een uitkoopprocedure beginnen.
De uitkoopregelingen in Duitsland vertonen de meeste overeenkomsten met het Nederlandse systeem. Bij de berekening van het kapitaalbelang van de uitkoper tellen de aandelen van abhängige Unternehmen mee, evenals de aandelen die een derde houdt voor rekening van de uitkoper.1 Een abhängige Unterhnemen is in de meeste gevallen ook een Konzernunternehmen, wat overeenkomt met de Nederlandse groepsmaatschappij als bedoeld in art. 2:24b BW.2 De partijen moeten vervolgens onderling af spreken wie het uitkooprecht uitoefent.3
In het Verenigd Koninkrijk kunnen twee of meer personen die gezamenlijk een openbaar bod hebben uitgebracht ook samen een uitkoopprocedure starten.4 Dit zijn dus niet, zoals in Nederland, per definitie groepsmaatschappijen. Daarnaast tellen aandelen gehouden door associates van de uitkoper niet mee voor de vraag op hoeveel aandelen het voorafgaand bod zag.5
De Belgische uitkoopregelingen kennen op dit punt een aanzienlijk ruimer toepassingsbereik dat de Nederlandse. Hiervoor geldt dat twee of meer natuurlijke-of rechtspersonen die in onderling overleg handelen samen een uitkoopbod uitbrengen.6 ‘Personen die in onderling overleg handelen’ kunnen zijn (i) de personen die samenwerken om de controle over de vennootschap te verkrijgen of handhaven, (ii) de personen die een akkoord hebben gesloten over de afstemming van de uitoefening van de stemrechten met het oogmerk een duurzaam gemeenschappelijk beleid te voeren en (iii) de personen die een akkoord hebben gesloten omtrent het bezit, de verwerving of overdracht van stemrechtverlenende effecten.7
Het idee dat partijen die gezamenlijk een openbaar bod uitbrengen ook de mogelijkheid moeten hebben om samen de resterende aandeelhouders uit te kopen, is niet onbegrijpelijk. Het past in de gedachte van de uitkoop als het sluitstuk van een geslaagd openbaar bod.8 De uitkoopregeling is mede bedoeld als stimulans voor het vrijwillige bod en als compensatie voor het verplicht bod (§ 4.2.2 sub b).9 Toch acht ik een dergelijke mogelijkheid niet noodzakelijk omdat partijen onder de huidige regeling reeds hetzelfde kunnen bewerkstelligen door samen een entiteit op te richten die het openbaar bod uitbrengt en de daarop volgende uitkoopprocedure start.
In andere situaties dan na een openbaar bod ontbreekt mijns inziens de rechtvaardiging voor de gedwongen overdracht van aandelen door meerderheidsaandeelhouders die geen groepsmaatschappijen zijn. De minderheid geniet in dat geval te weinig bescherming, omdat een willekeurige groep aandeelhouders een vordering tot uitkoop jegens haar kan instellen. Voor de uitkoopregeling in België volstaat bijvoorbeeld voor de genoemde situatie onder (iii) een akkoord tussen aandeelhouders met enkel het oog op een uitkoopprocedure, om zo onder de definitie van ‘onderling overleg’ te vallen.10 Deze mogelijkheid past niet in de gedachte die aan de gedwongen overdracht van aandelen ten grondslag ligt en acht ik daarom onwenselijk.11 Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de situatie waarin partijen enkel met het oog op een uitkoopprocedure het vereiste kapitaal tijdelijk bij elkaar of bij een derde onder brengen. In dat geval kan de OK de vordering afwijzen op grond van misbruik van bevoegdheid (§ 8.4.1).