Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.2.4.a
6.2.4.a Groepsmaatschappijen
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599989:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Partijen kunnen zich ook bij incidentele conclusie voegen als mede-eiser in de uitkoopprocedure, zie OK 31 januari 2002, ARO 2002/22 (Kempen & Co). Zie ook OK 11 december 2012, JOR 2013/72 (Gamma Holding) voor een voorwaardelijk voeging van de doelvennootschap aan de zijde van de uitkoper.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 7. Voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW is op dit punt aansluiting gezocht bij de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW, zie Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 48.
Van der Vlist (1985), p. 163.
Zie OK 11 juli 2002, ARO 2002/102 (Conservatrix), waarin groepsmaatschappijen nalaten om de vordering tot uitkoop gezamenlijk in te stellen. De OK verklaart daarop de uitkoper niet-ontvankelijk.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 48.
OK 19 mei 2009 (ro. 3.6-3.7), JOR 2010/267 (CompleTel).
OK 11 november 2008 (ro. 3.4), JOR 2008/336 (Grolsch).
Zie voor de begrippen groep en groepsmaatschappij Bartman/Dorresteijn (2013), p. 30 e.v. Indien de uitkopers niet voldoende aannemelijk maken dat zijn als groepsmaatschappijen kwalificeren, stelt de OK hen bij tussenarrest veelal eerst in de gelegenheid om dit alsnog te bewijzen, zie OK 7 mei 1998, rolnr. 1429/97, n.g. (Hotel Maatschappij Rotterdam); OK 6 maart 1997, rolnr. 936/96, n.g. (Rothmans).
O.m. OK 15 april 2014 (ro. 3.1), n.n.g. (Koninklijke Wegener); OK 31 januari 2012 (ro. 3.4), JOR 2012/110 (Dim Vastgoed); OK 5 oktober 2010 (ro. 3.5), JOR 2011/212 (Schuitema); OK 10 juli 2008 (ro. 2.8 en 3.1), JOR 2008/301 (Aegon Global Investment Fund); OK 11 februari 1999 (ro. 2.1), rolnr. 1429/97, n.g. (Hotel Maatschappij Rotterdam); OK 6 maart 1997 (ro. 3.2), rolnr. 936/96, n.g. (Rothmans). Soms volstaat de OK met de enkele vaststelling dat de uitkopers groepsmaatschappijen zijn in de zin van art. 2:24b BW, bijv. OK 30 juli 2013, ARO 2013/140 (LBi International); OK 4 december 2012 (ro. 3.1), ARO 2013/18 (Wavin); OK 20 maart 2012 (ro. 3.3), ARO 2012/49 (Gucci Group); OK 12 mei 2009, ARO 2009/92 (Tele2 Netherlands Holding); OK 28 oktober 2008 (ro. 3.5), JOR 2008335 (Numico); OK 19 juni 2008, ARO 2008/117 (Univar). Zie tot slot ook OK 7 juni 2007 (ro. 3.1), ARO 2007/93 (Priority Telecom), waarbij partijen ook uittreksels uit het handelsregister en de juridische structuur van de groep overleggen.
OK 12 april 1990, rolnr. 1352/89, n.g. (Abacus Pacific). Hierover Van Vliet (1999), p. 22-23.
O.m. OK 30 juli 2013, ARO 2013/140 (LBi International); OK 5 februari 2013, ARO 2013/42 (Wavin); OK 5 oktober 2010, JOR 2011/212 (Schuitema); OK 6 juli 2010, JOR 2010/267 (CompleTel); OK 24 juli 2008, ARO 2008/148 (Getronics); OK 15 mei 2008, JOR 2008/198 (VNU Group); OK 21 december 2006, ARO 2007/16 (Airspray); OK 24 februari 2005, ARO 2005/ 44 (Koninklijke Vendex KBB); OK 12 februari 2004, JOR 2004/132 (Vredestein).
Evenzo Van Solinge (2004).
Twee of meer groepsmaatschappijen die gezamenlijk aan het kapitaal- en stemrechtvereiste voldoen, kunnen ook een vordering tot uitkoop instellen.1
De wetgever heeft deze mogelijkheid in de uitkoopregeling opgenomen omdat het ‘niet altijd eenvoudig [is] voor groepsmaatschappijen, vooral niet wanneer er minderheidsaandeelhouders zijn, om met het oog op deze vordering alle aandelen binnen de groep in de hand te brengen van één der groepsmaatschappijen’.2 Een uitkooprecht voor groepsmaatschappijen vind ik goed verdedigbaar. De bezwaren van een aanwezige minderheid ter rechtvaardiging van de gedwongen overdracht van aandelen, gelden in vergelijkbare mate in de situatie dat de meerderheid van de aandelen in een vennootschap zich binnen een groep bevindt (§ 4.2.2). Deze mogelijkheid voorkomt dat een herstructurering binnen een groep noodzakelijk is voor het enkel uitkopen van een minderheidsaandeelhouder.3
In de dagvaarding moeten de uitkopers aangeven wie van hen de uit te kopen aandelen overneemt.4 Voor de minderheid is het van belang om te weten welke partij de vast te stellen uitkoopprijs betaalt.5 Voorts geldt voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW het bijkomend vereiste dat de vordering erop gericht moet zijn dat de gedwongen overdracht plaatsvindt aan de uitkoper die het voorafgaand openbaar bod heeft uitgebracht.6 Het is niet noodzakelijk dat iedere uitkoper het bod mede heeft uitgebracht.7 Andersom is het evenmin vereist dat iedere bieder de vordering tot uitkoop mede instelt.8 Zie over het vereiste van een voorafgaand bod bij de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW § 5.3.
De partijen die samen een vordering tot uitkoop instellen, moeten voldoende aannemelijk maken dat zij groepsmaatschappijen zijn in de zin van art. 2:24b BW.9 Dit gebeurt in de meeste zaken door overlegging van een verklaring van een registeraccountant.10 Het enkele feit dat één van de uitkopers 100% van de aandelen in de andere uitkoper houdt, betekent niet zonder meer dat partijen groepsmaatschappijen zijn.11
Veelal treedt de doelvennootschap in de uitkoopprocedure als mede-eiser op.12 Dit voorkomt dat de ‘oorspronkelijke uitkoper’ ook de door de doelvennootschap gehouden aandelen moet overnemen (§ 7.3.1 sub a).13