De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/9.6:9.6 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/9.6
9.6 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387102:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat de prioriteitsregel ook buiten het toneel van het goederenrecht treedt. Dat tekent zich in de eerste plaats scherp af in art. 3:298 BW. Daarin heeft de wetgever de prioriteitsregel tot uitdrukking gebracht in de verhouding tussen twee obligatoire rechten op levering. Aangezien tussen obligatoir gerechtigden in beginsel geen enkele relatie bestaat en ten aanzien van hun verhaalsrecht hun ouderdom evenmin een rol speelt, kan art. 3:298 BW worden beschouwd als een atypische prioriteitstoepassing. De keuze om dit conflict van botsende rechten op levering door de prioriteitsregel te laten beheersen, moet in samenhang met de introductie van het conservatoir leveringsbeslag worden beschouwd. Het leveringsbeslag heeft de mogelijkheid doen ontstaan dat twee kopers in een vastgelopen situatie verzeild raken nadat ieder van hen de levering aan de ander heeft geblokkeerd door het leggen van beslag. Het kwam de wetgever opportuun voor – na alle alternatieve opties te hebben afgewezen – om in dit conflict de prioriteitsregel in stelling te brengen. Er moet nu eenmaal een keuze voor de een of de ander worden gemaakt. Daarbij wordt de belangrijke kanttekening geplaatst dat het slechts een vuistregel betreft, waarbij ruimte wordt gelaten voor een andere uitkomst indien dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Aangezien voor deze pragmatische keuze verder geen argumenten kunnen worden aangedragen, dient het toepassingsbereik van dit artikel beperkt te blijven tot voornoemde impasse. Dat betekent dat de prioriteitsregel slechts in stelling kan worden gebracht indien beide schuldeisers hun recht op levering daadwerkelijk vervolgen. Voor analoge toepassing bestaat uitsluitend ruimte indien het obligatoire rechten van gelijke aard betreft. De beoordeling van de ouderdom van beide rechten dient in beginsel door een rechter in een bodemprocedure te worden gemaakt. De opheffing van een beslag heeft immers – ook voor derden – onherroepelijke gevolgen. Nadat aan een van de schuldeisers is geleverd – ook al staat vast of komt eerst later vast te staan dat hij de tweede koper is – valt aan art. 3:298 BW geen recht meer te ontlenen. De andere koper zal zich uitsluitend met een actie uit onrechtmatige daad kunnen behelpen. Tenzij de levering in een onrechtmatige daad jegens de andere koper zou resulteren, vormt het enkele bestaan van een oudere koopovereenkomst voor de notaris ook geen grond om zijn ministerie te weigeren.
De prioriteitsgedachte steekt eveneens de kop op waar obligatoire rechten door de wet met goederenrechtelijke elementen worden versterkt. Deze versterkingen berusten veelal op maatschappelijk-politieke overwegingen. Zo houdt het recht van de huurder onder omstandigheden stand tegen derden met een goederenrechtelijk recht. Nadere bestudering van het adagium ‘koop breekt geen huur ’ maakt echter duidelijk dat de prioriteitsregel hier geen rol heeft. De huurder ontleent zijn bescherming immers niet aan het tijdstip waarop zijn huurovereenkomst is ontstaan. Art. 7:226 BW geeft hem de bevoegdheid om bij een vervreemding van de verhuurde zaak of de bezwaring ervan met een beperkt genotsrecht zijn huurrecht tegen de verkrijger in te roepen.
Een koper die zijn recht op levering in de openbare registers doet inschrijven, wordt gedurende zes maanden beschermd tegen de in art. 7:3 lid 3 BW genoemde gebeurtenissen en rechtstoestanden. De wetgever biedt met de Vormerkung de koper van een onroerende zaak bescherming vanwege de grote (financiële) belangen die veelal met de koop van een woning zijn gemoeid. Het rechtsgevolg van de Vormerkung houdt in dat een aantal limitatief opgesomde rechtsfeiten niet tegen de betreffende koper kan worden ingeroepen. Conform de prioriteitsregel wordt bepaald of het ingeschreven recht van de koper in rang voor een ander recht gaat, met als gevolg dat dit recht niet tegen de koper kan worden ingeroepen. De daadwerkelijke bescherming tegen deze rechtsfeiten wordt gewaarborgd door de notaris die op straffe van aansprakelijkheid is gehouden om beschikkingen in weerwil van een Vormerkung tegen te houden.
Ook de kwalitatieve verplichting is een voorbeeld van een rechtsfiguur die op het systeem een uitzondering maakt – als gevolg waarvan de prioriteitsregel het verbintenissenrecht binnendringt – waaraan een tegemoetkoming aan een praktijkbehoefte ten grondslag ligt. De wetgever heeft de mogelijkheid toegestaan om verplichtingen ten aanzien van een registergoed te doen overgaan op opvolgende verkrijgers. Voor deze derdenwerking van een overeenkomst is vereist dat deze verplichting in de openbare registers is ingeschreven. Vanaf dat tijdstip neemt dit obligatoire recht rang in conform de prioriteitsregel, zelfs in de verhouding tot persoonlijke rechten met betrekking tot het goed.
Een uitzondering op de toepassing van de prioriteitsregel maakt de wet op het terrein van rechtsvordering in art. 505 lid 3 Rv. Een verhaalsbeslag-legger wordt daar in afwijking van de prioriteitsregel achtergesteld bij verkrijgers van een goederenrechtelijk recht indien het beslag wordt gelegd na het passeren van de notariële akte en die akte uiterlijk de volgende werkdag wordt ingeschreven. Aan deze uitzondering ligt opnieuw een beschermingsgedachte ten grondslag, ditmaal ten behoeve van kopers en hun hypothecaire financiers die in het belang van een vlot verlopend rechtsverkeer zekerheid moeten hebben dat het goed na het passeren van de tot overdracht strekkende notariële akte niet meer blootstaat aan uitwinning door schuldeisers van de vervreemder.
Tot slot kan ook de notariële tussenkomst met zich brengen dat een obligatoir recht van een zekere versterking wordt voorzien. Op de notaris rust vanwege zijn functie in het rechtsverkeer, zijn maatschappelijke rol en het vertrouwen dat hij geniet een zorgplicht die zich onder omstandigheden ook tot derden met een eventueel obligatoir recht uitstrekt. Die zorgplicht jegens derden kan meebrengen dat hij zijn ministerie moet weigeren als gevolg waarvan de totstandkoming van een goederenrechtelijk recht wordt verhinderd. Van een prioriteitstoepassing is evenwel geen sprake omdat het goederenrechtelijke recht in het geheel niet tot stand komt en de rangorde niet door de volgorde van de totstandkomingstijdstippen wordt bepaald. Het recht van een derde komt in dit geval als sterkste uit de bus omdat de notaris zijn medewerking aan de totstandkoming van een goederenrechtelijk recht weigert.