Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/9.1
9.1 Inleiding
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390669:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel voorrechten in de regel na pand en hypotheek worden gerangschikt, bevat de wet enkele uitzonderingen. Ik noem bij wijze van voorbeeld het voorrecht van het waterschap ter zake van de invordering van waterschapsbelastingen dat op grond van art. 138 lid 3 Waterschapswet boven hypotheek gaat. Zie voorts art. 25 Wegenwet voor een voorrecht dat rang neemt boven hypotheek. Zie hierover Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/108.
Het retentierecht kan op grond van art. 3:291 lid 2 BW in een tweetal gevallen zelfs worden ingeroepen tegen derden met een ouder recht. Zie hierover Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/513 en 514.
Zie over het bodemrecht Tekstra 2009, p. 573 e.v., Mijnssen & Van Mierlo 2009/1.14, Asser/Van Mierlo 3-IV 2016/494, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/932 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/733.
In hoofdstuk 7 is vastgesteld dat het toepassingsgebied van de prioriteitsregel strikt dogmatisch gezien is voorbehouden aan het goederenrecht. De prioriteitstoepassing kan immers worden teruggevoerd op de absolute werking van goederenrechtelijke rechten. Toch heeft de prioriteitsgedachte ook buiten het goederenrecht voet aan de grond gekregen. In dit hoofdstuk wordt onderzocht op welke plaats een dergelijke atypische prioriteitstoepassing kan worden waargenomen en welke argumenten voor de invloed van de prioriteitsregel buiten het goederenrecht kunnen worden aangedragen. Zo vindt men in de eerste plaats in art. 3:298 BW een uitdrukking van de prioriteitsregel ten aanzien van conflicterende verbintenisrechtelijke rechten. Daarnaast worden bepaalde obligatoire rechten van een versterking met goederenrechtelijke aspecten voorzien – ik noem het recht van de huurder, de Vormerkung en de kwalitatieve verplichting – waarmee zij aan de prioriteitsregel onderworpen worden dan wel de toepassing ervan doorbreken. Ook het procesrecht raakt aan de prioriteitstoepassing met de regeling voor beslag. Tot slot komt aan de orde in hoeverre het handelen van een notaris gevolgen heeft voor de werking van de prioriteitsregel.
Op deze plaats dient ter zake van de afbakening nog te worden opgemerkt dat een aantal rechten weliswaar de schijn wekt in prioriteitsconflicten voor te komen, maar in feite een bevoorrechte positie uitsluitend aan de wet en niet aan de prioriteitsregel ontleent. Deze rechten worden alleen besproken voor zover zij in de literatuur in verband worden gebracht met de prioriteitsregel. Naar hierna zal worden beschreven, vormt het recht van de huurder hiervan een voorbeeld. Voorrechten alsmede het retentierecht kunnen buiten beschouwing blijven. Hoewel zij de prioriteitsregel wel degelijk kunnen doorbreken, bepaalt de wet – met de nodige uitzonderingen1 – hun verhouding tot voorrechten en andere voorrangsrechten.2 Ookhet fiscaal bodemrecht krijgt geen behandeling. Deze rechtsfiguur moet worden beschouwd als een bijzonder verhaalsrecht dat – in het belang van ’s Rijks schatkist – ongeacht de rechten van andere schuldeisers en zelfs ongeacht de eigendomsrechten van derden kan worden uitgeoefend.3