De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.5:26.6.5 Stuiting tegen de verzekeraar stuit ook tegen de verzekerde
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.6.5
26.6.5 Stuiting tegen de verzekeraar stuit ook tegen de verzekerde
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365306:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
NJ1990, 660; dit arrest kwam hiervoor in het kader van bespreking van het begrip 'onderhandelingen' ook al aan de orde § 26.6.1.
R.o. 22.
In r.o. 16 en 17.
De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 76.
Breedveld-de Voogd, Stolker, WPNR 1993, p. 203.
Zie § 23.4.
De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 10 lid 4 WAM tweede deel bepaalt, spiegelbeeldig aan het eerste deel, dat handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeraar stuiten, tevens de verjaring van de vordering van de benadeelde tegen de verzekerde stuiten.
Een voorbeeld van toepassing van deze bepaling biedt BenGR 20 oktober 1989.1 In november 1982 vond een ongeluk plaats. De gesubrogeerde ziektekostenverzekeraar van het slachtoffer begon in september 1983 met de WAM-verzekeraar van de veroorzaker over de schade te onderhandelen. Pas in mei 1987, dat is ruim na het verstrijken van de (destijds) toepasselijke driejarige verjaringstermijn van de WVW, sprak de gesubrogeerde ziektekostenverzekeraar de verzekerde aan. De verzekerde stelde zich op het standpunt dat de onderhandelingen tussen de ziektekostenverzekeraar en zijn WAM-verzekeraar de verjaring van de vordering tegen hem niet hebben gestuit, en dat dus de vordering verjaard is.
Het BenGR overweegt dat:2 "wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeraar is gestuit door een onderhandeling als bedoeld in artikel 10par. 3 Gemeenschappelijke Bepalingen [is artikel 10 lid 5 WAM — JLS], zulks krachtens artikel 10 par. 2 [is artikel 10 lid 3 WAM — JLS] tweede zin van die bepalingen tot gevolg heeft dat de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekerde eveneens is gestuit, ongeacht op welke nationale wetsbepaling die rechtsvordering is gegrond en mitsdien ook wanneer die rechtsvordering is gegrond op artikel 31 WVW".
Die toevoeging beginnend met "ongeacht" was in reactie op de stelling van de automobilist dat de onderhandeling met de verzekeraar niet een vordering ex. art. 31 WVW zou stuiten. Eerder in zijn arrest3 had het hof te dien aanzien al overwogen: "dat de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar berust op het "eigen recht" dat de benadeelde krachtens artikel 6 Gemeenschappelijke Bepalingen heeft "tegen de verzekeraar"; dat de grondslag van dit "eigen recht" in artikel 6 niet nader wordt aangegeven doch dat deze, zoals volgt uit de samenhang van het artikel met de overige bepalingen, moet worden gevonden in het recht dat de benadeelde op grond van "de burgerrechtelijke aansprakelijkheid" van de in artikel 3par. 1 vermelde verzekerden tegen deze laatsten geldend kan maken;
(...). 0. dat dit recht blijkens artikel 3par. 3 naar zijn inhoud wordt bepaald door "de toepasselijke wet", waarbij geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende grondslagen waarop burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden volgens die wet kan berusten, zoals met name — wat de Nederlandse wet betreft — de bepalingen van het BW omtrent onrechtmatige daad of artikel 31 WVW dan wel overeenkomst".
Vóór dit arrest uit 1989 was de vraag of onderhandelingen met de WAM-verzekeraar ook stuiting van de verjaring van de vordering uit art. 31 WVW ten gevolg heeft, onderwerp van discussie. Mijnssen schreef in zijn noot na het voornoemde HR 12 februari 1982: "De meest wenselijke oplossing zou m.i. zijn aan te nemen dat, voorzover het de verzekeraar of het fonds betreft, ook de verjaring ex artikel 31 lid 10 WVW door onderhandelingen wordt gestuit, maar dat die onderhandelingen, wat de primair aansprakelijke betreft, de verjaring niet stuiten. Dat zou echter een wel zeer vrijmoedige interpretatie van artikel 10 lid 2 WAM betekenen. De verzekeraar, c.q. het fonds, is immers alleen aansprakelijk indien en voorzover de verzekerde aansprakelijk is." Dat die oplossing een vrijmoedige interpretatie is van, thans, art. 10 lid 4 WAM omdat de verzekeraar alleen aansprakelijk is indien en voor zover de verzekerde aansprakelijk is, is na het hiervoor besproken BenGR 21 december 1990 niet goed meer vol te houden: uit dat arrest blijkt immers dat het heel goed mogelijk is dat de benadeelde nog een vordering tegen de verzekeraar heeft ondanks de verjaring van zijn vordering tegen de verzekerde. Veeleer is die oplossing vrijmoedig omdat zij direct strijdt met de tekst van de wet: in lid 5 staat dat de verjaring wordt gestuit door onderhandeling tussen de benadeelde en de verzekeraar, in lid 4 staat dat handelingen die jegens de verzekeraar stuiten ook jegens de verzekerde stuiten, dus stuiten onderhandelingen met de verzekeraar ook jegens de verzekerde. Zo in wezen ook de geciteerde r.o. 22 van het BenGR.
Dat gezegd hebbende: de inhoudelijke bedenkingen die Mijnssen doen neigen tot het oordeel dat onderhandelingen met de verzekeraar niet jegens de laedens stuiten, zijn niet onbegrijpelijk. Hij wijst erop dat de primair aansprakelijke buiten die onderhandelingen staat. Inderdaad is het onder die omstandigheden erg bezwarend als hij na lange tijd alsnog met een reeds lang door hem vergeten vordering wordt geconfronteerd. Brunner zoekt de rechtvaardiging in zijn noot onder BenGR 20 oktober 1989 langs de volgende lijn: "Zonder die bepaling [het huidige lid 4 — JLS] zou het mogelijk zijn, dat de aansprakelijkheid tegen de verzekeraar nog bestaat, terwijl die tegen de primair aansprakelijke is verjaard, wat in strijd komt met het karakter van de WAM-verzekering als een soort wettelijke borgtocht voor de schuld van de naar burgerlijk recht aansprakelijke persoon." Ook die stelling is na BenGR 21 december 1990 niet meer goed verdedigbaar: als gezegd impliceert dat arrest dat de twee vorderingen wel degelijk op verschillende tijdstippen kunnen verjaren, zodat het volgens het BenGR niet in strijd met het karakter van de WAM-verzekering komt als de vordering tegen de verzekeraar nog bestaat terwijl die tegen de primair aansprakelijke is verjaard.
Voor een nadere academische discussie over de kern van dit probleem, te weten de moeizame verhouding tussen de strekking van lid 4 (dat wil dat de vorderingen tegelijk verjaren) en BenGR 20 oktober 1989 (dat toestaat dat de vorderingen op uiteenlopende momenten verjaren) is in dit op de praktijk gerichte deel geen ruimte. Na de constatering dat het BenGR nu eenmaal heeft geoordeeld dat de onderhandelingen met de verzekeraar ook jegens de primair aansprakelijke stuiten, rijst de vraag wat precies het gevolg is van de stuiting in die verhouding. Dat de verjaring wordt gestuit is nu duidelijk, maar is die stuiting ook een duurstuiting jegens de verzekerde?
De Bosch Kemper en Gruben zijn uitgesproken:4 "Het kan niet zo zijn dat de duurstuiting van de verjaring van het vorderingsrecht op de verzekeraar door onderhandelingen met die verzekeraar diezelfde werking heeft tegen de verjaring van de vordering tegen de aansprakelijke persoon.".
Een argument om in de verhouding verzekerde — benadeelde inderdaad geen duurstuiting aan te nemen is het volgende. De stuitingsartikelen uit het BW die de stuiting in de gewone civielrechtelijke verhouding tussen benadeelde en verzekerde regelen, kennen de duurstuiting niet. De implantatie van de duurstuiting vanuit de WAM in die verhouding bezwaart de positie van de laedens, terwijl daarvoor gelet op het primaire doel van de WAM geen rechtvaardiging bestaat. Dat doel is immers om naast de laedens een solide debiteur te stellen. Bevoordeling van de benadeelde in zijn verhouding tot de laedens door hem daar de duurstuiting te gunnen, draagt tot de verwezenlijking van dat doel niet bij.
Als men enerzijds constateert dat onderhandelingen tussen benadeelde en verzekeraar stuitende werking hebben in de verhouding tussen de benadeelde en de verzekeraar, maar anderzijds veronderstelt dat die stuiting geen duurstuiting zou moeten zijn, rijst de vraag wat die stuiting dan wel precies behelst. Men zou aansluiting kunnen zoeken bij Breedveldde Voogd en Stolker,5 die in het kader van hun pleidooi ook onder het BW aan onderhandelingen stuitende werking toe te kennen, schrijven dat elke schriftelijke stap in de onderhandelingsfase de verjaring stuit. Bij iedere schriftelijke stap begint dan, in de woorden van art. 3:319 BW, "een nieuwe termijn te lopen met de aanvang van de volgende dag".
Noemenswaard is nog de wat merkwaardige zaak die het Hof den Bosch in zijn arrest van 30 juli 19976 beoordeelde. Daar sprak de bedrijfsvereniging de WAM-verzekeraar aan, ruim vier jaar na het ongeval. De rechtstreekse WAM-vordering was toen dus al verjaard, maar desondanks werden onderhandelingen gevoerd tussen de bedrijfsvereniging en de WAM-verzekeraar. Toen die onderhandelingen niets opleverden, sprak de bedrijfsvereniging alsnog de verzekerde aan. Hoewel in beginsel onderhandelingen met de WAM-verzekeraar, zoals hiervoor bleek, tevens stuiten in de verhouding met de verzekerde, gold dat hier niet omdat de vordering op de WAM-verzekeraar reeds was verjaard. De onderhandelingen hadden geen stuitende werking meer krachtens art. 10 lid 5 WAM omdat immers een voltooide verjaring niet meer gestuit kan worden. Er was dus ook geen stuiting die krachtens lid 4 kon doorwerken in de relatie tot de verzekerde. Uiteindelijk kwam het daardoor aan op de (niet WAM-gerelateerde) vraag of de WAM-verzekeraar zijn verzekerde had vertegenwoordigd. De ontkennende beantwoording van die vraag door het Hof den Bosch kwam hiervoor aan de orde.7
Over de toepasselijkheid van het tweede deel van art. 10 lid 5 WAM gaat Rechtbank Den Haag 13 april 1988.8 In die zaak was onduidelijk welke van twee partijen het ongeval had veroorzaakt. Om die reden werd de vordering tegen de beide WAM-verzekeraars van de veroorzakende voertuigen afgewezen. De vraag rees vervolgens of de onderhandelingen die de benadeelde met beide verzekeraars had gevoerd, stuitende werking jegens het Waarborgfonds hadden. De rechtbank oordeelde bevestigend: "Gelet op doel en strekking van de WAM brengt een redelijke uitleg van artikel 26 lid 8 juncto artikel 10 WAM met zich mee dat ook de vordering van [de benadeelde] tegenover het Waarborgfonds ex artikel 25 WAM wordt gestuit door onderhandelingen tussen [de benadeelde] en de verzekeraars van bij het ongeval betrokken voertuigen." De Bosch Kemper en Gruben9 wijzen op een ongepubliceerde uitspraak van het Hof Den Haag van 16 maart 1993 waarin een gelijkluidende beslissing werd genomen. Deze uitspraken zijn op het eerste gezicht opmerkelijk, omdat wordt geoordeeld dat de onderhandelingen jegens de verzekerde hebben gestuit, terwijl die verzekerde nu juist niet kan worden aangewezen. Gelet op de functie van het Waarborgfonds echter, te weten het bieden van een voorziening waar verzekeringsdekking ontbreekt — dat is het geval waar de dader niet kan worden geïdentificeerd —, zijn zij alleszins begrijpelijk.