Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.3.1.1
5.3.1.1 Net in eigen grond
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619742:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Indien volgens de nieuwe leer het net toch als een zelfstandige zaak beoordeeld zou kunnen worden, dan is daarmee nog niet gezegd dat het een zelfstandige zaak is waarover men apart zou kunnen beschikken.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 18. Eveneens geldt dit bij het wegvallen van de bestemming van het net (voor transport) zodat een bestemmingswijziging geen invloed heeft op de eigendom van een net 'Het laten wegvallen van de bestemming heeft geen invloed op de eigendom': zie Kamerstukken 11, 2005/06, 29 834, nr. 12 p. 16.
Zie ook Kamerstukken 11, 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 22: 'Immers: als de grond in eigendom is van de (rechts)persoon die tevens (rechtsopvolger van) de aanlegger van het net is, blijft de eigendom binnen hetzelfde vermogen, zij het onder andere rechtstitel.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 9, p. 4 of nr. 12, p. 2.
Wanneer de grondeigenaar 'tevens' bevoegde aanlegger is, dan zal de grondeigenaar eigenaar zijn van het in eigen grond gelegen (zelfstandige) net.
Stel: A heeft op eigen grond diverse fabriekshallen gebouwd ten behoeve van een bepaald productieproces. Na enige tijd heeft A in zijn grond een net laten aanleggen dat ten dienste staat van het inmiddels verder ontwikkelde productieproces. Het net is in opdracht, voor rekening én gebruik van A aangelegd. Een aantal jaren later verkoopt A zijn bedrijf, inclusief de grond en fabriekshallen, aan B. In de akte van levering wordt het later aangelegde net niet gespecificeerd en omdat A het net niet heeft ingeschreven, is hiervan niets terug te vinden in de openbare registers. Is B na overdracht nu (eveneens) eigenaar geworden van het net omdat dit als bestanddeel van de grond/fabriekshallen is aan te merken? Of is A eigenaar gebleven van het net — omdat het als een zelfstandige zaak, los van de grond, moet worden beschouwd én dient het net alsnog aan B te worden overgedragen? In genoemde situatie gaat het om de vraag of ten aanzien van de grond en het net, artikel 3:4 jo. 5:20, eerste lid BW gevolgd dient te worden óf dat de uitzondering op de bestanddeelvorming van artikel 5:20, tweede lid BW geldt (en dus sowieso geen bestanddeelvorming plaatsvindt). Op dit punt roept de tekst van artikel 5:20, tweede lid BW derhalve nog een vraag op. In het artikel is opgenomen dat een bevoegde aanlegger van een net in, op of boven de grond van anderen eigenaar is van het net. Wanneer de tekst van het artikel letterlijk wordt gevolgd, dan betekent dit dat een net dat (bevoegd) is aangelegd in eigen grond, niet onder genoemd artikel zou vallen en dus dat in deze situatie doorbreking van de verticale natrekking niet aan de orde is. Als een net in eigen grond wordt aangelegd, is verdedigbaar dat ten aanzien van de kwalificatievraag of een net al dan niet een zelfstandige zaak is ten opzichte van de grond, de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW van toepassing is. Wil dit laatste zeggen dat het net dan 'automatisch' als bestanddeel van de grond moet worden beschouwd? Als de heersende leer op het gebied van de bestanddeelvorming wordt gevolgd dan zou het antwoord op deze vraag bevestigend zijn. Maar ook als de nieuwe leer wordt gevolgd en deze situatie zelfstandig getoetst wordt aan artikel 3:4 BW, kan geoordeeld worden dat het net dan eveneens als een bestanddeel van de grond moet worden beschouwd. Aannemelijk is namelijk dat gelet op de verkeersopvatting (net is enkel in eigen grond aangelegd ten dienste van die grond, inclusief fabriekshallen en vormt daardoor een wezenlijk onderdeel met de grond en fabriekshallen), dan wel het fysieke criterium (afscheiding net van de grond zal een beschadiging van betekenis toebrengen aan de grond) het net als bestanddeel wordt aangemerkt en niet als een zelfstandige zaak.1 De grond en het net zullen, wanneer de tekst van artikel 5:20, tweede lid BW letterlijk wordt gevolgd als één zaak beschouwd kunnen worden.
Een ander voorbeeld. Stel aanlegger A legt (bevoegd) in de grond van B een net aan en schrijft dit net in de openbare registers in. Na enige tijd verwerft A de eigendom van de grond van B zodat zowel het net als de grond waarin het net is gelegen in één hand is gekomen. Vervalt de zelfstandigheid van het net nu het net én de grond aan A toebehoren of anders gezegd is het net nu bestanddeel van de grond van A geworden? Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig te geven. Enerzijds zou verdedigd kunnen worden dat sprake zal zijn van vermenging (artikel 3:81, tweede lid onder e BW). Anderzijds zou verdedigbaar kunnen zijn dat voor netten wellicht een ander regime geldt en dat het net een zelfstandige zaak blijft wanneer dit door inschrijving is 'verzelfstandigd' ; het betreft immers geen beperkt recht. Een argument of aanknopingspunt hiervoor zou kunnen zijn dat de wetgever in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk heeft gesteld dat wanneer de bevoegdheid van een aanlegger achteraf vervalt, dit geen effect heeft op de eigendom van het net,2 althans dat in die situatie 'niet gezegd kan worden dat (...) het net door de grond wordt nagetrokken' 3 Op dit punt zou de wetgever meer duidelijkheid moeten verschaffen (zie hierna).
Tijdens de totstandkoming van de nieuwe regeling betreffende netten is volledig voorbij gegaan aan de situatie dat een net in eigen grond is aangelegd. Dit was ook niet direct logisch omdat in de kabelarresten de vraag aan de orde was wie als eigenaar van het net heeft te gelden als het in andermans grond is aangelegd. Tevens bestond ook de meeste onduidelijkheid over de eigendom van netten in andermans grond, omdat voor netten die volledig in eigen grond waren aangelegd in beginsel de verticale natrekking van toepassing was4 (behoudens eventuele horizontale natrekking). Maar door 'enkel' de eigendomsvraag te regelen in het BW is de wetgever aan het (andere) fundamentele aspect van de eigendomsregeling voorbij gegaan. Dit aspect is namelijk of een net in de grond wel of niet als een bestanddeel van de grond moet worden aangemerkt, dan wel of een net als een zelfstandige zaak (ten opzichte van de grond) heeft te gelden. Als dit aspect was vastgelegd in het BW, dan zou het niet (meer) uitmaken of het net wel of niet in eigen of andermans grond is aangelegd. In de parlementaire geschiedenis van de nieuwe eigendomsregeling komt diverse keren (expliciet) terug dat de wetgever met de huidige regeling voor ogen had hiermee recht te doen aan het feit dat een net als een zelfstandige en functionele eenheid kan worden beschouwd.5 Als dit uitgangspunt leidend was geweest bij invoering van een wettelijke regeling betreffende netten (in plaats van de vraag wie eigenaar is van een net), dan zou het eerder in de reden hebben gelegen dat de wetgever, naast aanpassing van het artikel betreffende de eigendom van onroerende zaken, óók artikel 3:4 BW betreffende bestanddelen had aangepast. Althans als de wetgever een nieuw derde lid aan artikel 3:4 BW had toegevoegd waarin geregeld zou zijn dat een net niet als bestanddeel van de grond (of: een onroerende zaak) waarin, waarop of waarboven het is aangelegd, beschouwd kan worden, dan zou daaruit volgen dat het net een zelfstandige eenheid is ten opzichte van de grond en dat de grondeigenaar niet automatisch eigenaar zou zijn van een net dat in zijn grond is of zou worden aangelegd omdat de (hoofd)-regel van artikel 5:20 (thans: eerste lid) BW niet van toepassing zou zijn. Op basis van de regeling zoals is opgenomen in het tweede lid van artikel 5:20 BW zou dan volgen dat niet de grondeigenaar, maar de (bevoegde) aanlegger6 van het net als eigenaar is te beschouwen. De wetgever zal dan nog wel de passage 'van anderen' in artikel 5:20, tweede lid BW moeten schrappen. Het ligt echter niet snel voor de hand dat de wetgever alsnog artikel 3:4 BW zal aanpassen of uitbreiden zoals hiervoor omschreven waardoor het aspect van de zelfstandigheid van het net ten opzichte van de grond geregeld (en opgehelderd) zal worden. Wellicht dat aan een andere optie kan worden gedacht en dat is om artikel 5:20, tweede lid BW aan te passen in de zin dat in het tweede lid de woorden 'van anderen' worden geschrapt, en tevens een zin (of een nieuw artikellid) toe te voegen met de strekking dat wanneer een net in de grond is of wordt aangelegd een apart of zelfstandig eigendomsrecht ten aanzien van dat net ontstaat. Hiermee zou de wetgever tot uitdrukking kunnen brengen dat ook wanneer een net in eigen grond wordt aangelegd een apart eigendomsrecht (dus: los van die van de grond) zou ontstaan. Hierdoor zou — weliswaar via een regeling betreffende de eigendom — duidelijkheid worden gecreëerd over de vraag of een net een zelfstandige zaak is ten opzichte van de grond, los van het feit of het net in eigen of andermans grond is aangelegd. De praktische relevantie van een aanvullende regeling in artikel 3:4 of 5:20, tweede lid BW zou onder meer kunnen zijn dat een net in eigen grond thans mogelijk geen zelfstandig object van financiering (hypotheek) kan zijn, noch betrokken kan worden in bijvoorbeeld een sale en leaseback constructie. Een aanvullende regeling zoals hiervoor genoemd zou hieraan tegemoet kunnen komen.