Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.3.1
2.2.3.1 De koopman verdwijnt uit het Wetboek van Koophandel
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180277:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 71.
H. Beckman, ‘Het wettelijk kader van de jaarrekening’, in: M.N. Hoogendoorn e.a., Externe verslaggeving in theorie en praktijk, deel 1, hoofdstuk 12, ’s-Gravenhage: Reed Business Information 2004, vierde druk, p. 252.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933- 1934, nr. 72.1 (V.V.), p. 1.
Zie hiervoor paragraaf 2.2.1.1.
Om de definitiekwestie nog wat ingewikkelder te maken, kende de Handelsregisterwet 1918 in artikel 2 lid 2 een eigen definitie van koopman, zijnde de koopman in de zin van het Wetboek van Koophandel en in het algemeen een ieder die zijn beroep maakt van eenigen tak van handel of nijverheid in den ruimsten zin en iedere naamlooze vennootschap en iedere coöperatieve vereeniging in de zin
C.H. Pastoor, De grondbegrippen van ons handelsrecht (diss. Utrecht), Arnhem: G.W. van der Wiel & Co 1942, p. 2.
Op grond van dezelfde Wet tot opheffing van de onderscheiding tussschen handelsdaden en niet-handelsdaden en kooplieden en niet-kooplieden werd ook in andere wetten de term koopman vervangen.
Wet van de 2den Juli 1934, tot opheffing van de onderscheiding tusschen handelsdaden en niet-handelsdaden en kooplieden en niet-kooplieden, Stb. 1934, 347.
Wet van de 2den Juli 1934, tot opheffing van de onderscheiding tusschen handelsdaden en niet-handelsdaden en kooplieden en niet-kooplieden, Stb. 1934, 347.
Artikel 439 lid 1, n° 2 Sr.
Besluit van 6 juni 1888, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 439, n°. 2, van het Wetboek van Strafrecht.
Wanneer de wetgever zou overgaan tot het aanpassen van de inconsistentie in het Besluit ex artikel 439, n°. 2, Wetboek van Strafrecht, zou ook direct de titel van het besluit moeten worden aangepast alsmede de in het besluit opgenomen verwijzing naar het bijbehorende artikel 439 lid 1 n° 2 uit het Wetboek van Strafrecht, zodat ook op dat punt sprake is van consistentie.
Niet lang na de wetswijziging van 1922 werd de Tweede Titel van het Wetboek van Koophandel weer gewijzigd. Het ging om een wijziging die naar de mening van Rutgers al in 1922 doorgevoerd had moeten worden.1 Niet langer werd de verplichting tot het voeren van een boekhouding alleen opgelegd aan de koopman, maar met ingang van 1 januari 1935 gold de verplichting tot het voeren van een boekhouding voor “een ieder, die een bedrijf uitoefent”2. Reden hiervoor was dat “de tegenstelling tussen handelsdaden en niet-handelsdaden en kooplieden en niet- kooplieden verouderd is en dient te verdwijnen”.3 Het wetsvoorstel betrof dan ook niet alleen wijzigingen in het Wetboek van Koophandel maar bijvoorbeeld ook in het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Handelsregisterwet 1918.
Het feit dat tot 1935 alleen de koopman wettelijk verplicht was tot het houden van aantekeningen omtrent de vermogenstoestand en van alles betreffende het bedrijf heeft geleid tot diverse procedures over de vraag wat de betekenis was van het begrip koopman en op wie aldus de boekhoudplicht rustte. Dat over de betekenis van het begrip koopman geen ondubbelzinnige duidelijkheid bestond, bleek al uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 6 WvK voorafgaand aan de inwerkingtreding in 1838.4 Voorzienbaar was dan ook dat zou worden geprocedeerd over de vraag wie wel of niet als koopman in de zin van het Wetboek van Koophandel moest worden beschouwd.5 De conclusie van Pastoor – “[H]et woord koopman was aldus een gelegenheidskwaliteit zonder bestendigen inhoud en omvang” – was dan ook terecht.6
Door de verplichting tot het bijhouden van een boekhouding los te koppelen van de koopman werd deze ogenschijnlijke willekeur – die het gevolg lijkt te zijn geweest van de economische en maatschappelijke ontwikkeling sinds 1838, waarin de koopman niet langer centraal stond – opgeheven. De wetgever heeft in 1935 de koopman in artikel 6 lid 1 WvK7 vervangen door “een ieder die een bedrijf uitoefent”.
Met het verwijderen van de term koopman uit het Wetboek van Koophandel en enkele andere wetten met ingang van 1935 is de koopman echter niet volledig uit de Nederlandse wetboeken verdwenen. Artikel 336 Sr stelt als een misdrijf strafbaar het opzettelijk openbaar maken van een onware staat of onware balans, winst-en-verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een van die stukken of het opzettelijk toelaten van een zodanige openbaarmaking. Dit geldt voor de koopman, bestuurder, beherende vennoot of commissaris van een rechtspersoon of vennootschap. Onder koopman wordt verstaan “ieder die een bedrijf uitoefent”, aldus artikel 84bis Sr. Artikel 84bis Sr is op 1 januari 1935 in werking getreden tegelijk met de wijziging in artikel 6 lid 1 WvK, waarbij de koopman werd vervangen door een ieder die een bedrijf uitoefent.8 Door in artikel 84bis Sr de koopman te definiëren als een ieder die een bedrijf uitoefent, bleef de aansluiting tussen artikel 6 lid 1 WvK en artikel 336 Sr behouden. De boekhoudplicht kwam te rusten op een ieder die een bedrijf uitoefende en dat gold ook voor de strafbaarstelling van artikel 336 Sr. De definitie van koopman in artikel 84bis Sr heeft na 1 januari 1935 geen wijziging meer ondergaan, ook niet bij de latere wijziging van de van het Wetboek van Koophandel. Deze definitie was ruimer dan het begrip koopman in de zin van het Wetboek van Koophandel. In artikel 2 lid 3 Handelsregisterwet 1918 werd vervolgens een aantal uitzonderingen opgenomen, zoals voor de straatventer, kleine handelslieden, land- en tuinbouwers alsmede visschers. De Handelsnaamwet 1921 kende weer een eigen definitie van koopman, namelijk een ieder die koopman is volgens het tweede lid van artikel 2 der Handelsregisterwet 1918. De uitzonderingen van artikel 2 lid 3 Handelsregisterwet 1918 werden niet overgenomen in de Handelsnaamwet 1921. opvolger van artikel 6 lid 1 WvK, artikel 3:15i lid 1 BW, waarbij de administratieplicht niet alleen werd opgelegd aan een ieder die een bedrijf uitoefent maar ook aan een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent. Bij die wijziging had artikel 84bis Sr ook gewijzigd moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, sluiten artikel 3:15i BW en artikel 336 Sr niet meer helemaal aan. Voor een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent, geldt dat hij niet valt onder de norm van artikel 336 Sr. Er is echter geen goede grond voor dit onderscheid. Er is sprake van een niet-consistente wijziging van wetgeving die moet worden gerepareerd.
De verwijdering van de term koopman uit het Wetboek van Koophandel leidde per 1 januari 1935 ook tot wijziging van (destijds) artikel 439, n° 2 Sr.9 In dit artikel werd “de koopman die” vervangen door “hij die”. Hij die een gewoonte maakt van het kopen van onderdelen van – kort gezegd – een militaire uitrusting zonder naleving van de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, maakt zich schuldig aan een overtreding.10 De bedoelde algemene maatregel van bestuur is neergelegd in het Besluit ex artikel 439, n°. 2, Wetboek van Strafrecht.11 In de twee artikelen van dit Besluit ex artikel 439, n°. 2, Wetboek van Strafrecht worden aan de koopman als bedoeld in (thans) artikel 439 lid 1, n°. 2 Sr diverse verplichtingen opgelegd. Bij het wijzigen van artikel 439, n°. 2 Sr per 1 januari 1935 had de wetgever teneinde consistentie te behouden ook het Besluit ex artikel 439, n°. 2, Wetboek van Strafrecht moeten wijzigen.12