Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/317:317 Toetsing van een fishing expedition
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/317
317 Toetsing van een fishing expedition
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455866:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Denk aan de in nr. 175 behandelde zaak die leidde tot HR 11 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4941, NJ 1985, 352 (Van Laarhoven/Finatabank).
Rb. ’s-Gravenhage 24 mei 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6044, RF 2007, 58 en RO 2007, 63.
In deze zaak hadden de minderheidsaandeelhouders naar mijn mening onvoldoende belang, omdat de vordering in de hoofdzaak juridisch kansloos was, zie nr. 270.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de nrs. 314-316 behandelde kenmerken kunnen worden onderscheiden, maar zijn lastig afzonderlijk te toetsen; de rechter zal doorgaans integraal toetsen. De verzoeker die ongericht op zoek is naar hem nog niet bekende informatie, zal moeite hebben een geloofwaardige concrete vordering in de hoofdzaak op te voeren in zijn verzoekschrift en zal zich verraden door zoveel mogelijk getuigen over onvoldoende bepaalde feiten te willen horen. Daarnaast worden beide kenmerken ‘opgeteld’, waarbij de overschrijding van een kritische grens leidt tot de aanname van een fishing expedition. Een concrete vordering in de hoofdzaak in combinatie met onbekende te onderzoeken feiten zal eerder – maar niet altijd1 – leiden tot de aanname van een fishing expedition dan een minder concrete vordering in de hoofdzaak in combinatie met bekende te onderzoeken feiten.
Een zaak waarin minderheidsaandeelhouders een vordering tot schadevergoeding wilden instellen tegen een derde die een onrechtmatige daad jegens de vennootschap zou hebben gepleegd, illustreert de integrale toetsing door de rechter.2 De vordering die de minderheidsaandeelhouders zeiden in de hoofdzaak te willen instellen, was weinig geloofwaardig.3 Daarnaast was het verzoek onbeperkt: er zouden 33 getuigen moeten worden gehoord over alle details van de opkomst en ondergang van KPNQwest van 1999 tot en met mei 2002 en de mogelijk onrechtmatige rol van haar beleidsbepalers daarbij. De combinatie van de weinig voorstelbare vordering met de onbegrensdheid van de te onderzoeken feiten leidde tot het oordeel dat het voorlopig getuigenverhoor “het karakter van een nagenoeg onbeperkte, voor nagenoeg alle betrokkenen zeer belastende, en voor een voorlopig getuigenverhoor naar huidige maatstaven als ontoelaatbaar te beschouwen ‘visexpeditie’” kreeg.
Overigens is de soort informatie niet bepalend voor het oordeel of sprake is van een fishing expedition; daarvoor is slechts van belang of de twee bovengenoemde kenmerken aanwezig zijn. De rechter dient echter wel extra waakzaam te zijn als de verzoeker informatie wenst die ook buiten een procedure zeer waardevol voor de verzoeker kan zijn. De verzoeker die bijvoorbeeld concurrentiegevoelige informatie wil achterhalen, zal voorbereid moeten zijn op kritische vragen van de rechter gericht op het verband tussen de hoofdzaak en de te onderzoeken feiten en de bekendheid van de feiten. De soort gevraagde informatie is wel een factor die moet worden meegenomen in een belangenafweging (zie verder par. 8.5.2).