Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.5.2.3
19.5.2.3 Derdenonderzoek
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498289:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 13.6.7 hiervoor.
Instructief is het arrest van de strafkamer van de HR van 4 maart 2014, NJ 2014/474 (m.nt. Reijntjes). Het Hof ’s-Hertogenbosch had de verdachte tegelijkertijd gehoord als verdachte in de onderhavige strafzaak en als (beëdigde) getuige in de – gelijktijdig, maar niet gevoegd behandelde – strafzaak van een medeverdachte. De HR overweegt dat uit de toepasselijke bepalingen van Sv, waaronder art. 29, 219 en 290, moet worden afgeleid dat de uitzonderlijke werkwijze die hier is gevolgd, te weten het tegelijkertijd horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan.
Vgl. Hof Leeuwarden 29 november 2011, V-N 2012/14.6. Derden kunnen het op hun beurt hinderlijker vinden om mee te (moeten) werken aan een derdenonderzoek, omdat zij er verder vanaf staan.
Ook het derdenonderzoek ex art. 53, lid 1 AWR zal bruikbare, persoonsgerichte informatie voor boeteoplegging kunnen opleveren. Eerder wees ik erop dat dit onderzoek het risico van zelfbelasting voor de betrokken administratieplichtige oproept.1 De kans hierop is waarschijnlijk wel minder groot dan de kans op zelfbelasting wanneer de boeteling zelf moet meewerken; in ieder geval na het ‘charge’-moment. Wanneer de boeteling en de derde in kwestie (over en weer) de enige bron van bewijs zijn, dan kan dat tot een patstelling leiden. Het zoveel mogelijk respecteren van het nemo tenetur-beginsel brengt in ieder geval met zich mee, dat een duidelijk en kenbaar onderscheid wordt gemaakt tussen het onderzoek naar de eigen belastingaangelegenheden en die van derden.2
Punitieve bewijsgaring in het kader van derdenonderzoek kan ook worden gecompliceerd doordat de (potentiële) boeteling bezwaar kan hebben tegen een onderzoek bij één of meer derden. Hij kan daarvan commerciële, financiële en/of reputationele schade ondervinden.3 Vgl. de situatie waarin de inspecteur de (potentiële) boeteling om financiële informatie vraagt, die ook bij diens bank of financier beschikbaar is. De afhankelijkheid van de financiering van de bank of financier maakt hem kwetsbaar. De enkele wetenschap dat een klant onderwerp van onderzoek is, kan in die relatie al problematisch zijn.4 De fiscus is immers een sterke(re) crediteur. Voorstelbaar is dat in dergelijke gevallen de boeteling de keuze wordt gelaten om zelf mee te werken aan een (boete)onderzoek. In de praktijk gebeurt dit al.