Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.1
6.5.1 Hoofdregel; art. 8 Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436749:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
COM(2002) 222 def., p. 9.
Considerans, overweging 12, Vo-BlIbis.
Zie voor een verzoek tot wijziging van een beslissing tot toevertrouwing van het kind voor de duur van de echtscheidingsprocedure: Rb. 's-Gravenhage 24 februari 2006, LJN AX0772.
Vgl. art. 5 lid 1 HKbV 1996; art. 3 lid 1 Vo-Bil. Art. 8 lid 1 Vo-BlIbis geeft een algemene bevoegdheidstoedeling, terwijl de relatief bevoegde rechter volgens het interne recht van de lidstaten moet worden vastgesteld.
Het tijdstip van aanhangigheid wordt autonoom bepaald door art. 16 Vo-BIlbis.
D. Solomon, FamRZ 2004, p. 1411, meent dat rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 ook dan bestaat wanneer het kind na het aanhangig maken van de procedure zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat verkrijgt, tenzij de gewone verblijfplaats van het kind zich in een andere lidstaat bevond alwaar op grond van art. 8 lid 1 reeds een procedure was ingesteld.
Vgl. art. 6 lid 2 HKbV 1996.
De Vo-Brussel Ilbis geeft een sluitend stelsel van rechtsmachtgronden ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Het doel hiervan is om zoveel mogelijk jurisdictie-geschillen te voorkomen.1 Bij het opstellen van de bevoegdheidsregeling heeft het belang van het kind — naast het criterium van de nauwe verbondenheid — als uitgangspunt gediend.2 De bevoegdheidsregeling is als het ware gestoeld op de gedachte dat het belang van het kind de rechtsmacht bepaalt. De hoofdregel is te vinden in art. 8 lid 1 en geldt voor alle zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of deze aan de orde worden gesteld in het kader van echtscheidingsprocedures dan wel in zelfstandige procedures. Een verzoek tot bijvoorbeeld wijziging van een eerder vastgestelde omgangsregeling wordt dus ook door dit artikel bestreken.3 Art. 8 lid 1 verklaart bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.4 Met de gewone verblijfplaats van het kind wordt gedoeld op zijn maatschappelijke woonplaats, welke van geval tot geval bepaald zal moeten worden.
Volgens de hoofdregel is de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht van een lidstaat aanhangig wordt gemaakt doorslaggevend.5 Hiermee hanteert art. 8 lid 1 het beginsel van perpetuatio fori. Dit betekent dat het op basis van art. 8 lid 1 aangewezen gerecht bevoegd blijft, zelfs wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in de loop van de procedure naar een andere lidstaat of een derde staat verplaatst.6 De verordening biedt evenwel de mogelijkheid om een bij de rechter van art. 8 lid 1 ingestelde procedure op grond van forum non conveniens-overwegingen te verwijzen naar het gerecht van de lidstaat waarnaar het kind na het aanhangig maken van de zaak zijn gewone verblijfplaats heeft verplaatst (art. 15 lid 1 jo. lid 3 sub a). In afwijking van de verordening bepaalt art. 5 lid 2 HKbV 1996 dat bij verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind vanuit een verdragsstaat naar een andere verdragsstaat, de autoriteiten van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd zijn.
Indien de gewone verblijfplaats van het kind niet kan worden vastgesteld, is de hoofdregel van art. 8 lid 1 Vo-BIIbis niet van toepassing. De mogelijkheid om op basis van art. 12 Vo-BILIbis rechtsmacht te prorogeren blijft in dat geval echter overeind (vgl. art. 13 lid 1 Vo-BILIbis). Is er geen sprake van prorogatie van rechtsmacht, dan komt de bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat op wiens grondgebied het kind zich bevindt (art. 13 lid 1).7 Indien naast de gewone verblijfplaats evenmin de werkelijke verblijfplaats van het kind kan worden vastgesteld, blijft de verordening buiten toepassing. In dat geval wordt de rechtsmacht bepaald volgens de interne wetgeving van de lidstaten (art. 14).