Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.3.1:3.3.1 Internationale kiesrechtbepalingen
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.3.1
3.3.1 Internationale kiesrechtbepalingen
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947850:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het in de Grondwet vastleggen van het kiesrecht als grondrecht sloot de grondwetgever aan bij de internationale tendens. In verschillende verdragen en andere internationale documenten had het kiesrecht reeds een plek als grondrecht verworven. Ten eerste kan daarbij gewezen worden op artikel 21 van de in 1948 aangenomen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM):
Eenieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.
Eenieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.
De UVRM is geen verdrag, maar heeft het karakter van een intentieverklaring. De in de UVRM gestelde normen zijn niet juridisch bindend, maar zijn eerder van morele aard. De invloed van de UVRM op de internationale rechtsorde is op zichzelf dan ook beperkt. Dat neemt niet weg dat de Universele Verklaring een belangrijke inspiratiebron is geweest voor verschillende mensenrechtenverdragen, zoals het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 25 IVBPR luidt:
Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in artikel 21wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:
deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;
te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd;
op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
Opgemerkt zij dat het kiesrecht zowel in de UVRM als in het IVBPR onderdeel uitmaakt van een breder geformuleerd recht op politieke participatie. In artikel 3 Protocol 1 EVRM heeft het kiesrecht echter een zelfstandig karakter. Het artikel luidt:
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.
De bepaling geldt voor alle lidstaten die Protocol 1 EVRM hebben geratificeerd. Zij wordt toegepast in kiesrechtelijke geschillen voor het EHRM en wordt bijvoorbeeld nader uitgelegd door de Venice Commission, waarover in de volgende paragraaf meer. De jurisprudentie die het EHRM in de loop der jaren op kiesrechtelijk gebied heeft ontwikkeld en het werk van de Venice Commission zorgen ervoor dat artikel 3 Protocol 1 EVRM een centrale plaats inneemt in de kiesrechtelijke doctrine.