Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.2.4
8.2.4 Meldingen bij de STB
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268468:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2.1.1 Tuchtreglement.
Stichting Tuchtrecht Banken, Jaarverslag 2018, p. 7 en 8.
Zie P. Laaper & J.W.P.M. van der Velden, ‘Twee jaar bankentuchtrecht onder de loep’, FR 2017, afl. 6, p. 270. De banken hebben geen gezamenlijk beleid op grond waarvan wordt besloten om tot een melding over te gaan. Soeharno wijst op in dit verband op het risico van willekeur bij het doen van meldingen (de ene bank kan hier “strenger” in zijn dan de andere bank). Hij pleit voor een eenduidig en bankenbreed beleid over de vraag welke gedragingen gemeld –en niet gemeld- moeten worden. Zie J. E. Soeharno, ‘Tuchtrecht banken: tegen het doorrollen van ‘rotte appels’,’ FR 2020, afl. 11, par. 6.2 en J.E. Soeharno, ‘Van tuchtrecht bankiers naar tuchtrecht banken. Weg van het randdomein van zwarte schapen en lone wolves,’ in: F.M.A. ’t Hart & A.J.C.C.M. Loonen (red.), Tuchtrecht in de financiele sector (Financieel Juridische Reeds 16), Zutphen: Paris 2020, p. 33, 36 en 45-46.
P. Laaper & J.W.P.M. van der Velden, ‘Bankentuchtrecht’, in: M. Jurgens en R. Stijnen (red.), Compliance in het financieel toezichtrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 187.
S.M. Peek & S. Marić, ‘Tuchtrecht en toezicht: impact op banken’, FR 2015, afl. 7/8, p. 297.
Art. 25 a Wtra en Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p 30.
Op advies van de Raad van State is de toelichting op dit punt aangepast, zie Kamerstukken II, 33 918, nr. 11, p. 8/9. De Afdeling oordeelde dat de toezichthouders zonder wettelijke grondslag niet bevoegd zijn zaken aan te dragen bij een privaat tuchtcollege. Bovendien zijn zij in beginsel verplicht tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens, verkregen bij de uitvoering van hun taak. Anders ligt dit overigens in het -wettelijk geregelde- accountantstuchtrecht, waar de AFM bevoegd is tot het indienen van klachten jegens de betrokken accountants.
Anders: Van Tuyll van Serooskerken, die vraagtekens plaatst bij deze “klikplicht” van banken. In zijn optiek is het tuchtrecht primair bedoel om klanten een mogelijkheid te geven een bankmedewerker aan te spreken op diens gedrag en is het tuchtrecht niet ingericht voor de banken zelf, zie C.F.J. van Tuyll van Serooskerken, ‘Tuchtrecht banken: over klachten, sancties en arbeidsrechtelijke maatregelen’, ArbeidsRecht 2015/55, afl. 12, p. 16-17.
De visie van Peek en Marić dat DNB door het geven van een aanwijzing het gebrek aan een eigen wettelijke bevoegdheid om klachten in te dienen bij de STB zou “omzeilen” (S.M. Peek & S. Marić, ‘Tuchtrecht en toezicht: impact op banken’, FR 2015, afl. 7/8, p. 297) deel ik dan ook niet. Overigens achten Peek en Marić het opleggen van een last onder dwangsom of een boete wél mogelijk. Dit lijkt inconsequent, temeer nu de aanwijzing en de last onder dwangsom beide kwalificeren als reparatoire (‘herstel”)sancties waarbij de last onder dwangsom, door het toevoegen van de financiële prikkel, als het zwaardere middel kan worden beschouwd. Niet duidelijk is waarom het zwaardere middel wel, maar het lichtere middel niet zou zijn toegestaan.
Een ieder kan melding doen bij de STB van een schending van de Gedragsregels.1
Van belang is dat de banken ook zelf ingeval van -een vermoeden van- tuchtrechtelijk laakbaar handelen van één of meer van haar medewerkers, hiervan melding doen. Indien een bank hiertoe niet of onvoldoende over gaat is, volgens de regering, van daadwerkelijke “onderwerping” in de zin van art. 3:17c Wft geen sprake.2
Er is echter discussie mogelijk over de vraag wanneer een bank zou moeten overgaan tot het doen van een melding bij de STB. De STB spreekt in haar Jaarverslag 2018 over het melden van “grijze zaken”.3 Een bank zal echter, onder meer in het licht van de verplichting tot goed werkgeverschap, over het algemeen niet lichtvaardig willen melden.4 Ook spelen diverse dilemma’s een rol, zoals de vrees voor reputatieschade en terughoudendheid om meldingen te doen jegens medewerkers die “te belangrijk” zijn voor de organisatie.5 Peek en Marić stellen dat DNB niet verwacht dat van iedere mogelijk tuchtrechtelijk laakbare gedraging melding wordt gemaakt, en benoemen een aantal, mijns inziens terechte overwegingen die hierbij voor de toezichthouder een rol kunnen spelen.6 Belangrijker dan het melden van “grijze zaken” lijkt mij bovendien dat van ernstige, meer zwart-witte zaken daadwerkelijk melding wordt gemaakt.
Anders dan in, bijvoorbeeld, het wettelijk georganiseerde accountantstuchtrecht beschikken de toezichthouders niet over de bevoegdheid om zelf zaken aan te brengen bij de STB.7 Het doen van meldingen is geen toezichtstaak.8 Dit lijkt mij een logisch uitvloeisel van het gekozen hybride systeem van tuchtrecht. Uit dit systeem volgt dat banken er zelf voor verantwoordelijk zijn dat het tuchtrecht functioneert.9 De banken dienen zaken die hiervoor in aanmerking komen aan te dragen bij de STB. Gebeurt dit niet, of in onvoldoende mate, dan beschikt DNB over diverse handhavingsinstrumenten om tegen de betrokken banken op te treden en hen alsnog tot het doen van meldingen te bewegen. Zo kan DNB een aanwijzing geven aan de betreffende bank tot het doen van een melding bij de tuchtrechtelijke instantie. In ernstiger gevallen kan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden opgelegd.10 Een rechtstreekse bevoegdheid tot het doen van meldingen zou dit systeem van publiekrechtelijk toezicht op een privaatrechtelijk georganiseerd tuchtrecht, mijns inziens, doorkruisen.11