Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.4.1
5.4.1 De WOR
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS387337:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
L.G. Verburg, Het territoir van de (Nederlandse) ondernemingsraad in het internationale bedrijfsleven, Diss. 2007, p. 197. Later stelt hij zich op hetzelfde standpunt ten aanzien van vereenzelviging.
Ondernemingskamer 14 oktober 2010, JAR 2010/309, ARO 2010/166, ROR 2011/6, RO 2011/11 (VLM).
Hoge Raad 11 juli 1984, NJ 1985/212 (Howson Algraphy).
De Ondernemingskamer overweegt daarbij in de zaak Honeywell dat het besluit geen gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in Nederland. Ondernemingskamer 17 januari 2008, ARO 2008,36, ROR 2007/44 (Honeywell).
Kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009, p. 10.
M.A. de Blécourt, J.J.M. Lamers e.a., ‘Is medezeggenschap bestand tegen internationale aansturing?’ in: L.C.J. Sprengers, G.W. van der Voet (red), De toekomst van medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever, Deventer: Kluwer 2009, p. 32.
Kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009, p. 10.
Ondernemingskamer 21 december 2012, ARO 2013/22, JAR 2013/67, ROR 2012/33, RO 2013/23 (VLM).
Verordening (EG) nr. 44/2001 inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1 (rectificatie in PbEG 2001, L 307/28), zoals laatstelijk gewijzigd door Verordening (EU) nr. 156/2012, PbEU 2012, L50/3 (hierna de EEX-verordening). Deze verordening beoogt een stelsel van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels in burgerlijke zaken tot stand te brengen.
I. Zaal, ‘Ondernemingskamer is bevoegd kennis te nemen van een geschil jegens een buitenlandse (mede)ondernemer’, TRA 2013/39. onderzoek was al eerder aangegeven dat de toepassing van de EEX-verordening op medezeggenschapsgeschillen complex is. Zie: Study on international private law aspects and dispute settlement related to transnational company agreements, available at: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catld=707&langld=en&intPageld=214en A.A.H. van Hoek, ‘Finding a legal framework for transnational collective agreements through international private law’, K. Ahlberg, Rethinking transnational collective bargaining, Intersentia, nog niet gepubliceerd).
Bij de buitenlandse moedervennootschap is uiteraard geen (c)or ingesteld. De Nederlandse werkmaatschappijen vallen wel onder de reikwijdte van de WOR. Het ligt voor de hand dat een (sub)holding wordt aangesteld op het hoogste niveau van de Nederlandse tak van het concern die ondernemer voor de cor is en waarop de structuurregeling (vrijwillig) wordt toegepast. De medezeggenschap in het Nederlandse deel van het concern zal zich in het algemeen beperken tot de uitvoering van de strategie die in het buitenland is bedacht. Er zal dan ook in veel mindere mate sprake zijn van daadwerkelijke invloed op strategische beslissingen. De zeggenschap wordt uitgeoefend in het buitenland, terwijl de medezeggenschap in Nederland wordt uitgeoefend. Dit zou anders kunnen zijn wanneer besluiten van de buitenlandse moedervennootschap kunnen worden toegerekend aan de Nederlandse dochtervennootschap of wanneer de buitenlandse moedervennootschap als medeondernemer in rechte kan worden betrokken. De vraag is of dit, gezien de territoriale werking van het medezeggenschapsrecht, mogelijk is. Verburg meent van wel. Hij schrijft in zijn dissertatie: “Er is op zich geen verschil met een puur Nederlandse aangelegenheid. Een buitenlandse moedermaatschappij kan zich net zo goed als een Nederlandse moedermaatschappij stelselmatig bemoeien met het day to day management van de Nederlandse ondernemer”.1
In de zaak-VLM is voor de eerste keer een buitenlandse moedervennootschap – in casu een Belgische – als medeondernemer aangemerkt.2 De Ondernemingskamer besteedt in het geheel geen aandacht aan de vraag of een buitenlandse moedervennootschap als medeondernemer kan worden aangemerkt, maar past het leerstuk toe alsof het om een Nederlandse (moeder)vennootschap gaat. Wel wordt ter discussie gesteld of de buitenlandse moedervennootschap in Nederland in rechte kan worden betrokken, daarover later meer. Mijns inziens is toerekening van een besluit van een buitenlandse moedervennootschap aan een Nederlandse dochter ook mogelijk. Dit leerstuk gaat in internationale verhoudingen immers minder ver, nu – in tegenstelling tot medeondernemerschap – de buitenlandse holding niet in rechte kan worden betrokken, maar de verplichtingen op de Nederlandse dochter rusten. In de zaken Howson Algraphy3 en Honeywell4 is een verzoek om toerekening ten aanzien van een buitenlandse moedervennootschap gedaan. In beide zaken is dit verzoek afgewezen, maar niet op de grond dat het onmogelijk is een besluit van een buitenlandse moedervennootschap toe te rekenen. Ook de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat een besluit van een buitenlandse moedervennootschap kan worden toegerekend aan een Nederlandse dochtervennootschap.5 De werkgroep medezeggenschap stelt in dit kader voor de jurisprudentie inzake toerekening en medeondernemerschap in de WOR te verankeren, zodat de buitenlandse ondernemer weet waar hij aan toe is.6 In het Kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009 geeft de minister aan dat hij deze aanbeveling niet overneemt aangezien de jurisprudentie van de Ondernemingskamer op dit terrein voldoende duidelijk is.7 Naar mijn mening is het nuttig in de WOR op te nemen dat ook een besluit van een ander dan de ondernemer onderworpen kan worden aan het adviesrecht, waarbij de voorwaarden waaronder dit gebeurt aan de Ondernemingskamer wordt overgelaten. Ik denk echter dat dit de problematiek van medezeggenschap in internationale concernverhoudingen niet oplost.
In de zaak-VLM is tevens aan de orde gesteld of de Ondernemingskamer wel bevoegd is kennis te nemen van een geschil omtrent een buitenlandse (mede) ondernemer.8 De Ierse grootmoeder CityJet doet in deze zaak een beroep op art. 2 van de EEX-verordening9 dat bepaalt dat iemand alleen in de lidstaat van zijn woonplaats voor de rechter kan worden gedaagd. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is echter geen sprake van een burgerlijke handelszaak waarop de EEX-verordening ex art. 1 van die verordening op ziet, nu het gaat om een interne aangelegenheid van een in Nederland gevestigde onderneming. In een annotatie bij deze uitspraak heb ik aangegeven dat de argumentatie van de Ondernemingskamer op dat punt voor twijfel vatbaar is. De overwegingen zijn echter wel in lijn met andere bepalingen over de interne besluitvorming van vennootschappen, die op de procedure ex art. 26 WOR niet rechtstreeks van toepassing zijn.10 De achtergrond van deze bepalingen is kort gezegd dat interne geschillen betreffende de rechtspersoon of zijn organen moeten worden afgewikkeld in de lidstaat waar de rechtspersoon gevestigd is. Zolang het Hof van Justitie naar aanleiding van een prejudiciële vraag niet oordeelt dat de Ondernemingskamer onbevoegd is, geldt de VLM-beschikking als de heersende leer. Dit betekent dus dat de Ondernemingskamer bevoegd is kennis te nemen van een geschil jegens een buitenlandse mede(ondernemer).