Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.5.1
10.2.5.1 Verbod op voortbouwen op vermoedens
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940213:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daaromtrent nader paragraaf 10.4.2.1, alwaar ik tevens in ga op de nadere uitwerking die de Hoge Raad heeft gegeven in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207. Ook merk ik aldaar op dat de Hoge Raad in dat arrest (ten aanzien van de extrapolatie naar het verleden) in strijd met het door hemzelf geformuleerde verbod lijkt te hebben gehandeld.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4 onder (iii).
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4 onder (ii). Zie daaromtrent nader paragraaf 10.4.2.1.1.
Zie paragraaf 10.2.2. Naar mijn mening is dat in de sfeer van de heffing overigens niet anders. Bewijs geleverd aan de hand van bewijsmiddelen die zijn gebezigd ter zake van andere bewezenverklaarde – soortgelijke – feiten, is op zichzelf wél toegestaan. De Hoge Raad lijkt ook in boetezaken op deze wijze te beslissen: hetzelfde bewijsmiddel (een microfiche met een banksaldo per 31 januari 1994) kan worden gebruikt voor de bewezenverklaring van meerdere beboetbare feiten (verschillende tijdvakken). Zie omtrent dergelijk schakelbewijs in fiscalibus nader Van Houte 2006, par. 1.
Dat met vermoedens als bewijsmiddel voor de boete terughoudend moet worden omgegaan, komt ook tot uitdrukking in het door de Hoge Raad geformuleerde verbod op het voortbouwen op vermoedens. In de betreffende KBLux-zaak stond feitelijk vast wat het saldo op 31 januari 1994 was geweest. Het ging vervolgens om de vraag in hoeverre aan dat vaststaande saldo op 31 januari 1994 een vermoeden kon worden ontleend, dat het betreffende saldo ook op verschillende andere momenten in de tijd (dus: eerder of later dan dat ene moment), reeds of nog steeds bestond.1 Op zichzelf is het ontlenen van een dergelijk vermoeden mogelijk: het (reeds of nog steeds) bestaan van het saldo op enig moment kan worden afgeleid uit het op 31 januari 1994 aanwezige saldo. Op een vermoeden dat aldus, ten aanzien van enig moment in de tijd, gerechtvaardigd is geacht, kan volgens de Hoge Raad voor beboetingsdoeleinden echter niet worden voortgebouwd (ten aanzien van weer een ander moment in de tijd).2 Kortom: als aan het aanwezige saldo op 31 januari 1994 het vermoeden wordt ontleend dat dit saldo ook op 1 januari 1995 nog aanwezig was, kan aan het op 1 januari 1995 aanwezig geachte saldo niet het vermoeden worden ontleend dat dit saldo ook op 1 januari 1996 nog aanwezig was. Dat laat onverlet dat aan hetzelfde vaststaande feit (het saldo op 31 januari 1994) steeds opnieuw een vermoeden kan worden ontleend ten aanzien van één bepaald ander moment in de tijd (bijvoorbeeld 1 januari 1996), al is daarvoor telkens ook aanvullend bewijs nodig.3
Hoewel het in de berechte casus ging om de extrapolatie in de tijd, is de regel dat voor wat betreft het bewijs van het begaan van het beboetbare feit op vermoedens niet mag worden voortgebouwd, naar mijn mening algemeen geldend. Als uitgangspunt geldt immers dat elk vermoeden rechtstreeks moet zijn terug te voeren op vaststaande feiten, en dus niet ontleend mag worden aan andere vermoedens.4