Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.2:11.2 Artikel 2:11 BW
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.2
11.2 Artikel 2:11 BW
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343669:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 2.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 2-3.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 3.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 17 en Huizink 2014c, GS Rechtspersonen, art. 2:11, aant. 7.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:11 BW luidt als volgt:
“De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.”
De bepaling is ingevoerd als onderdeel van de Derde Misbruikwet waarmee de antimisbruikbepalingen van art. 2:138/248 BW zijn vastgesteld. De achtergrond ervan is dat men vreesde dat deze antimisbruikbepalingen en de rechtspraak over bestuurdersaansprakelijkheid een ontwikkeling teweeg zouden kunnen brengen waarin rechtspersonen als bestuurders zouden worden benoemd met als doel om persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid te ontlopen. Een dergelijke ontwikkeling zou het effect van de op bestrijding van misbruik gerichte wetgeving en rechtspraak doorkruisen:
“Het is de strekking van de wetsontwerpen tot bestrijding van misbruik, dat bestuurders van rechtspersonen zich minder gemakkelijk achter de rechtspersoonlijkheid kunnen verschuilen wanneer benadeling van crediteuren het gevolg is van slecht of onbehoorlijk bestuur. Bepaalde rechterlijke uitspraken gaan in diezelfde richting. Naarmate door de wettelijke maatregelen en de rechtspraak de aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen meer op de voorgrond treedt, kan de neiging toenemen om rechtspersonen als bestuurders aan te wijzen, omdat daarmee aan de omvang van de bestuurdersaansprakelijkheid een duidelijke grens wordt gesteld. Een dergelijke ontwikkeling zou het effect van de op bestrijding van misbruik gerichte wetgeving en rechtspraak doorkruisen.”1
Een verbod op het aanstellen van een rechtspersoon als bestuurder werd echter niet wenselijk geacht gelet op de praktische voordelen om (binnen concernverband) een rechtspersoon als bestuurder aan te stellen:
“In concernverhoudingen kan het wenselijk zijn» – aldus het rapport – «dat een rechtspersoon – gewoonlijk een dochtervennootschap – als bestuurder van een aantal dochtervennootschappen fungeert. De bestuurstaken in deze dochter kunnen dan worden uitgeoefend door de functionaris van de beherende vennootschap die daarvoor het meest in aanmerking komt. Ook is de vennootschap dan niet afhankelijk van verhindering van één persoon, terwijl zij anderzijds de kosten en nadelen van meerhoofdig bestuur vermijdt, waarvoor de bestuurstaak te licht is». (…) In «joint ventures» willen partijen de leiding van de gezamenlijke onderneming niet in handen leggen van een aantal natuurlijke personen, maar in die van een rechtspersoon. Dit voorkomt het probleem van wisselende bestuurders en het bijeenbrengen van alle vereiste deskundigheid in het bestuur. De gezamenlijke onderneming kan profiteren van het gehele apparaat van de rechtspersoon-bestuurder en alle daarin aanwezige deskundigheid.”2
Gelet op deze voordelen is gezocht naar een minder vergaande oplossing dan een verbod. Die oplossing, die is vastgelegd in art. 2:11 BW, komt erop neer dat:
“als het ware wordt heengezien door de rechtspersoon-bestuurder en dat naast de rechtspersoon ook haar bestuurders (natuurlijke personen) aansprakelijk worden in de gevallen waarin de wet de aansprakelijkheid van bestuurders regelt. Is een van die bestuurders weer een rechtspersoon, dan geldt voor die rechtspersoon hetzelfde enz.”3
Tegelijkertijd is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat disculpatie mogelijk is:
“De bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen.”4
De eerste hiervoor geciteerde passage, waarin is omschreven dat als het ware wordt heengezien door de rechtspersoon-bestuurder en opvolgende rechtspersoon-bestuurders, lijkt echter niet geheel te stroken met de laatste hiervoor geciteerde passage, waaruit blijkt dat een mogelijkheid bestaat voor bestuurders om zich te disculperen. Ook rechtspersoon-bestuurders zijn immers bestuurders en zouden zich dus moeten kunnen disculperen. Ik kom hierna in par. 11.7 daarop terug.