Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.8.1
2.8.1 Schadevergoeding voor (minderheids-)aandeelhouders
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS498925:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin M.J.G.C Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Kluwer 2006, p. 500.
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 7, p. 29-30 en Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 3, p. 18.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 68 respectievelijk Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 3, p. 18.
In soortgelijke zin L. Timmerman, ‘Enkele opmerkingen van theoretische aard over de omzetting van rechtspersonen’, S&V 1993, p. 145-148.
Art. 2:71 lid 2 derde volzin BW en art. 2:181 lid 2 derde volzin BW. De mededeling vindt plaats conform de oproeping van de algemene vergadering van aandeelhouders.
Vergelijk Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 3, p. 18.
Vergelijk de soortgelijke problematiek bij een grensoverschrijdende juridische fusie: Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 7, p. 17.
Art. 2:71 lid 3 BW en art. 2:181 lid 3 BW. De deskundigen hebben daarbij dezelfde bevoegdheid tot inzage van boeken en bescheiden als de door de ondernemingskamer benoemde deskundigen in het kader van een enquêteprocedure (vergelijk art. 2:351 en art. 2:352 BW).
C.W. de Monchy, De nieuwe algemene bepalingen van Boek 2 BW (Preadvies Vereeniging Handelsrecht), Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 107-115, J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, nr. 549, p. 840, E.J.J. van der Heijden & W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Zwolle: Tjeenk Willink 1992, nr. 157, p. 187.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 3, p. 18.
Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 5, p. 4.
Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 3, p. 18.
Bij de omzetting van een NV of BV in een stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij worden de aandeelhouders in de eerste plaats beschermd door de verzwaarde meerderheidseis die geldt voor het omzettingsbesluit.1 Vereist is een besluit genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders met ten minste negentienden van de uitgebrachte stemmen (par. 2.7.2 hiervóór). Indien de omzetting tot stand komt, vervallen de aandelen van rechtswege en worden de aandeelhouders van de NV of BV – indien het een omzetting in een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij betreft – automatisch lid (zie art. 2:71 lid 1 respectievelijk art. 2:181 lid 1 BW).
Voor de aandeelhouders die niet met de omzetting hebben ingestemd, geldt een uittreedregeling. Zij kunnen op de voet van art. 2:71 lid 2 BW en 2:181 lid 2 BW de NV respectievelijk BV om een schadevergoeding vragen voor het verlies van de aandelen. Alsdan vindt de inwisseling van het aandeelhouderschap voor het lidmaatschap niet plaats. De achterliggende gedachte is dat de aandeelhouder niet gedwongen moet worden zijn aanspraak bij eventuele vereffening, in beginsel op terugbetaling van zijn aandeel en op zijn deel in het overschot, op te geven.2 Een soortgelijke schadevergoedingsregeling wordt door de Minister van Justitie thans voorgesteld in het kader van (i) een omzetting van een BV in een openbare vennootschap op de voet van art. 7:835 NBW en (ii) een grensoverschrijdende fusie op de voet van de implementatiewetgeving van de Tiende vennootschapsrichtlijn betreffende grensoverschrijdende fusies (zie het voorgestelde art. 333h BW).3 Anders dan de schadevergoedingsregeling bij een grensoverschrijdende juridische fusie, hoeft het bij de omzetting niet te gaan om een uitdrukkelijke tegenstem. Het verzoek tot schadeloosstelling op de voet van art. 2:71 lid 2 en 2:181 lid 2 BW kan ook worden gedaan door aandeelhouders die bij de stemming afwezig waren of zich hebben onthouden van stemming.
Vanwege de voor het omzettingsbesluit geldende verzwaarde meerderheidseis is de groep aandeelhouders die in aanmerking komt voor een schadevergoeding in beginsel beperkt. Indien echter veel aandeelhouders afwezig zijn bij de vergadering waarin wordt gestemd vóór de omzetting, kan het om een grote groep gaan.4 Hetzelfde geldt bij onthouding van stemmen. Het verzoek om schadeloosstelling moet schriftelijk binnen een bepaalde termijn worden gedaan, te weten één maand nadat de NV of BV de aandeelhouder op de mogelijkheid tot schadevergoeding heeft gewezen.5 De minderheidsaandeelhouder hoeft zijn verzoek om schadevergoeding niet te motiveren, anders dan hij al heeft gedaan door niet voor de omzetting te stemmen.6 Hoewel de schadevergoedingsregeling is bedoeld voor gevallen waarin de aandeelhouder bezwaren heeft tegen de omzetting, is het geen probleem om van de schadevergoedingsregeling gebruik te maken als de ‘tegenstem’ (volledig) is ingegeven door de voorkeur de aandeelhoudersaanspraak op kapitaal en winstreserves liquide te maken.7 Indien de aandeelhouders en de NV of BV niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt de schadevergoeding bepaald door één of meer door de voorzieningenrechter van de rechtbank te benoemen onafhankelijke deskundigen.8 De regeling laat overigens uitdrukkelijk open op wiens verzoek de deskundigen worden benoemd. Dat kan dus ook de omzettende rechtspersoon zijn.
De heersende opvatting in de literatuur is dat de niet-instemmende aandeelhouders eveneens recht hebben op de schadevergoeding van art. 2:71 lid 1 en 2:181 lid 2 BW indien een NV of BV zich omzet in een stichting.9 De Minister van Justitie is die opvatting ook toegedaan getuige de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van de Tiende vennootschapsrechtelijke richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusie.10 Aan het recht op schadevergoeding bij de omzetting van een NV/BV in een stichting zou kunnen worden getwijfeld omdat art. 2:71 en 2:181 zich blijkens het lid 1 a prima vista lijken te beperken tot de omzetting van een NV respectievelijk BV in een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. De tekst van art. 2:71 lid 2 en 2:181 lid 2 BW noopt vervolgens echter geenszins tot deze beperking, zodat de aandeelhouders die niet hebben ingestemd met de omzetting in een stichting niet (alleen) op de rechter zijn aangewezen voor de waarborging van hun (financiële) belangen (zie over de voor de omzetting van een stichting vereiste rechterlijke machtiging par. 2.8.6 hierna).
Ten slotte wijs ik erop dat het BW niet voorziet in een uittreedrecht voor een aandeelhouder van een zich in een BV omzettende NV en omgekeerd. Conform het uitgangspunt in het BW geldt hier dat de meerderheid binnen de organen van een rechtspersoon de minderheid kan binden.11 Overigens ligt een uittreedrecht bij de omzetting van een NV in een BV en omgekeerd ook minder voor de hand omdat de aandelen in stand blijven en dus niet als gevolg van de omzetting komen te vervallen. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk dat een aandeelhouder zijn recht op terugbetaling van zijn kapitaal (bij liquidatie) en zijn deel in de winst zónder diens toestemming door de omzetting in een andere kapitaalvennootschap kwijtraakt.12