Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/13.3
13.3 De doorwerking van mensenrechtenverdragen in de Nederlandse rechtsorde
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197303:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 november 2013, nr. 13/01622, BNB 2014/30 m.nt. Happe.
Barkhuysen & Van Emmerik 2005, p. 30.
Vgl. Hartkamp 2000, p. 23-35.
Barkhuysen, Van Emmerik & Ploeger 2005, p. 27.
Zie over advisory opinions onder meer: Gerards 2014, p. 630-651, Perdaems 2017, Niessen 2017, Van Dijk e.a. 2018, p. 264-269 en Thomas 2019.
Zo uitten een aantal belastingadviseurs in Het Financieele Dagblad van 29 september 2016 kritiek op de Hoge raad naar aanleiding van zijn arresten over de crisisheffing en box 3. In een artikel met als kop “Hoge Raad zit te veel op schoot bij politici” schrijven zij onder meer: “De Belastingkamer schurkt te veel tegen de wetgever aan, in plaats van politici te corrigeren als die de rechtsbeginselen ondergeschikt maken aan het belang van de overheidsfinanciën.”
Zie bijvoorbeeld EHRM 23 november 2000, nr. 13378/05 (The former King of Greece and Others v. Greece), par. 87: “The Court is of the opinion that because of their direct knowledge of their society and its needs, the national authorities are in principle better placed than the international judge to appreciate what is “in the public interest”. Under the system of protection established by the Convention, it is thus for the national authorities to make the initial assessment as to the existence of a problem of public concern warranting measures of deprivation of property. Here, as in other fields to which the safeguards of the Convention extend, the national authorities accordingly enjoy a certain margin of appreciation.”
Dusarduijn 2016b, p. 277.
Het EVRM laat het ook toe om een ruimere uitleg aan het Verdrag te geven dan het EHRM, zolang andere rechten niet in het gedrang komen. Barkhuysen, Van Emmerik & Ploeger 2005, p. 33.
Zie diens noot in BNB 2014/30.
De Bont & Pelinck 2014.
Schokkenbroek 1996, p. 313-315.
Van den Berge & Groeneveld 2006, p. 67-73, Van den Berge 2011, p. 11-20, Bergman & Herreveld 2017, Feteris 2016, Boer e.a. 2014, p. 29.
Feteris 2016.
Voor de Nederlandse rechter brengen de artikelen 93, 94 en 120 Grondwet mee dat hij geen verdergaande bescherming kan bieden dan voortvloeit uit de internationale verdragen waaraan hij moet toetsen. De Hoge Raad heeft dit in een zaak over het discriminatieverbod als volgt geformuleerd:1
“De hiervoor vermelde rechtspraak van het EHRM [de rechtspraak over het verbod van discriminatie in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, TCG] is voor de Hoge Raad leidend. Aan de nationale wetgever laat artikel 53 EVRM de vrijheid om een verdergaande bescherming te bieden dan de bepalingen van het EVRM en de protocollen bij het EVRM geven. Uit het bepaalde in de Grondwet, in het bijzonder uit artikel 94, vloeit voort dat de Nederlandse rechter daarentegen bepalingen uit een wet in formele zin slechts wegens discriminatie buiten toepassing mag laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van een of meer verdragen die discriminatie verbieden. Wat betreft het verbod van discriminatie in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM kan de Nederlandse rechter een zodanige onverenigbaarheid niet aannemen op basis van een uitleg van het daarin gebruikte begrip discriminatie die zou leiden tot een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot die bepalingen (…).”
Dit brengt mee dat de rechtspraak van de internationale rechter als het ware integraal wordt geïncorporeerd in de Nederlandse rechtsorde,2 inclusief de (ruime) beoordelingsmarge die door de internationale rechter wordt gelaten aan de nationale autoriteiten. De Nederlandse rechter stelt zich bij de beoordeling van belastingmaatregelen dus in principe net zo terughoudend op als het EHRM zou doen3, ook bij afwezigheid van een precedent waaruit zou kunnen volgen hoe het EHRM zich zou opstellen. In dat geval zal de Hoge Raad zich opstellen zoals hij veronderstelt dat het EHRM zou doen. Voor wat betreft het EU-recht ligt dat wezenlijk anders. Het HvJ is niet terughoudend en de nationale rechter evenmin als die optreedt als EU-rechter. Door de zelfstandige doorwerking van het EU-recht in de nationale rechtsorde zijn de artikelen 93 en 94 en 120 Gw voor het EU-recht irrelevant.
De Nederlandse rechter die een oordeel moet geven over de vraag of nationale wetgeving in overeenstemming is met het EVRM, zal op zoek moeten gaan naar aanknopingspunten of precedenten in de rechtspraak van het EHRM. Die rechtspraak biedt echter in lang niet alle gevallen gezichtspunten, bijvoorbeeld omdat een vergelijkbare vraag nog nooit is voorgelegd aan het EHRM. Bovendien spitst het EVRM de motivering van zijn arresten toe op de specifieke omstandigheden van het geval, waardoor de precedentwerking van zijn beslissingen beperkt is.4 Regelmatig zal de Nederlandse rechter daarom een eigen oordeel moeten geven over de reikwijdte van de EVRM-grondrechten, zonder dat hij daarbij kan steunen op een Straatsburgs precedent. Pas als een belastingplichtige bij het EHRM een rechtsmiddel instelt tegen de uitspraak van de hoogste nationale rechter of als die rechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid om op basis van het 16e Protocol bij het EVRM een advisory opinion te vragen aan het EHRM, kan zekerheid worden verkregen of de interpretatie van de Nederlandse rechter juist is.5
In de literatuur is de terughoudende toetsing aan internationale verdragen de Hoge Raad op kritiek komen te staan.6 Er wordt op gewezen dat het EHRM op sociaal-economisch (en dus ook fiscaal) gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekent aan de nationale autoriteiten bij de beoordeling van de proportionaliteit van een aantasting van eigendom, omdat die autoriteiten vanwege hun kennis van de samenleving beter kunnen afwegen wat in het algemeen belang is.7 Dit zogenoemde “better placed” argument van het EHRM voor zijn marginale toetsing gaat uiteraard alleen op voor de op afstand van de samenleving staande internationale rechter. Een ander argument dat wel wordt aangevoerd ter verklaring van de door het EHRM gehanteerde margin of appreciation is dat het EHRM een subsidiaire
rechter is, die pas toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van een vermeende schending van grondrechten als de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.8 De argumenten die voor het EHRM gelden om terughoudend te toetsen, hebben dus te maken met zijn bijzondere positie als internationale en subsidiaire rechter. Voor de nationale rechter zijn dit geen geldige argumenten om geen eigen, meer intensieve, afweging te maken bij de beoordeling van de proportionaliteit van een aantasting van eigendom.9 Het is dan ook allerminst evident dat de Grondwet de nationale rechter, die het EVRM moet toepassen (art. 94 Gw), zou verplichten om diezelfde lage toetsingsintensiteit en afstandelijkheid aan de dag te leggen als het EHRM. Happé10 heeft betoogd dat de omvang van de margin of appreciation bij de Hoge Raad niet even ruim hoeft te zijn als die welke het EHRM in acht zou nemen. De nationale rechter zal volgens hem de rechtspraak van het EHRM moeten verdisconteren over wat naar het oordeel van het Hof als discriminatoir heeft te gelden, maar waar nodig kan de nationale rechter bij de beoordeling of het EVRM is geschonden een eigen afweging maken of de beoordelingsruimte is geschonden, mits deze afweging ten voordele van de belastingplichtige uitvalt. Ook De Bont en Pelinck zijn kritisch over de wijze van toetsing door de Hoge Raad.11 Volgens deze auteurs zou de Hoge Raad met zijn benadering gevallen laten liggen die wel discriminatie opleveren naar de inhoud van dat begrip, maar die het EHRM ter beoordeling aan de nationale rechter overlaat. Zo bezien zou de Hoge Raad volgens hen de opdracht verzuimen die in artikel 94 van de Grondwet besloten ligt. Volgens Schokkenbroek zou de Nederlandse rechter steeds moeten bezien of de concrete Nederlandse omstandigheden niet dwingen tot een ruimere uitleg van een bepaling dan wordt gegeven in de Straatsburgse jurisprudentie.12
Er zijn daarentegen ook auteurs die menen dat de Hoge Raad niet anders kan dan zijn huidige wijze van toetsing aan een ieder verbindende verdragen.13 Zij wijzen erop dat het Nederlandse staatsrecht het de rechter uitsluitend toestaat en tegelijk van hem eist dat hij wetten in formele zin buiten toepassing laat als dergelijke verdragsbepalingen daartoe nopen. In deze zienswijze mag de rechter een wet in formele zin niet onverbindend verklaren op basis van een uitleg van een internationale verdragsbepaling die verder gaat dan de uitleg die de internationale rechter zou geven. De president van de Hoge Raad Feteris heeft dit standpunt als volgt verwoord:14
“Een ruimere toepassing van fundamentele rechten is volgens art. 53 EVRM weliswaar toegestaan, maar in Nederland zal die niet van de rechter kunnen komen als het gaat om toepassing van wetten in formele zin. Dat is geen kwestie van sympathie van de Nederlandse rechter voor de wetgever, maar van staatsrechtelijke taakafbakening. De zeer ruime beoordelingsmarge die volgens de rechtspraak van het EHRM in bepaalde situaties bestaat, komt toe aan de verdragsluitende staten. Het is een kwestie van nationaal staatsrecht hoe die marge binnen een land wordt ingevuld. In Nederland mag de rechter wetten in formele zin, vastgesteld door regeling en parlement, volgens art. 94 Gw alleen buiten toepassing laten bij strijd met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Waar het om het EVRM gaat, acht de HR zich onder deze grondwettelijke regeling niet gelegitimeerd om in zijn interpretatie verder te gaan dan de Straatsburgse rechtspraak. In deze zin heeft de HR al in 2001 beslist in een arrest van de civiele kamer; ook de belastingkamer volgt deze lijn. De HR ziet dus geen ruimte om wetten buiten toepassing te laten als die toepassing volgens de uitleg van EHRM in overeenstemming is met het verdrag. Dit hof in Straatsburg is opgericht om een voor alle verdragsluitende staten richtinggevende uitleg te geven aan het EVRM. Bovendien is het de vraag aan welke bron de Nederlandse rechter de maatstaven zou kunnen en mogen ontlenen om tot een ruimere uitleg te komen, het beter te weten dan het EHRM.”
De Grondwet legt de Nederlandse rechter inderdaad de nodige beperkingen op waar het de beoordeling van wetgeving in formele zin betreft. Dat laat echter onverlet dat de Nederlandse rechter best meer ruimte zou kunnen, en gezien het bovenstaande, zou moeten nemen bij de toetsing van nationale wetgeving aan de bepalingen van het EVRM. Het is en blijft een keuze van de Hoge Raad om niet intensiever te toetsen dan het EHRM pleegt te doen en van de nationale rechter verwacht. Mijns inziens zou de Hoge Raad nog steeds voldoen aan zijn uit de Grondwet voortvloeiende verplichtingen, waaronder die van toepassing van het EVRM op nationaal niveau als ‘better placed authority’ die de samenleving en lokale persoonlijke en maatschappelijke belangen beter kent dan het EHRM, als hij een margin of appreciation zou hanteren die past bij zijn positie als “better placed” nationale rechter. Sterker nog: ik meen dat het zowel in de geest van de Grondwet als die van het EVRM zou zijn als de Hoge Raad een intensievere toetsing aan de dag zou leggen dan hij thans gewoon is te doen. Gezien de recente rechtspraak van de Hoge Raad valt er op korte termijn echter geen verandering te verwachten in de wijze waarop de Hoge Raad wetgeving in formele zin toetst aan grondrechten.