Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/13.1
13.1 Inleiding
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197346:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Denkelijk heeft dit te maken met het arrest van het EHRM in de zaak Darby en de noot van Feteris daarbij in BNB (zie Pauwels 2009, p. 408).
Aanvankelijk beriepen belastingplichtigen zich vooral op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, welke bepaling alleen ingeroepen kon worden in combinatie met andere bepalingen zoals artikel 1 Eerste Protocol, nu het bij artikel 14 EVRM om een onzelfstandig discriminatieverbod gaat.
Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de belastingkamer van de Hoge Raad drie keer een schending van artikel 1 Eerste Protocol geconstateerd (twee maal door het ontbreken van een effectief rechtsmiddel en éénmaal omdat een belastingheffing leidde tot een buitensporige last). Deze arresten komen in het hiernavolgende aan de orde.
Dit is de eerste van drie hoofdstukken waarin ik onderzoek hoe nationale rechters omgaan met beroepen van belastingplichtigen op het eigendomsgrondrecht van artikel 1 Eerste Protocol EVRM, al dan niet na omzetting in nationale wetgeving. Nederland kent de bijzondere constellatie dat het de rechter is verboden om formele wetgeving aan de nationale Grondwet of ongeschreven rechtsbeginselen te toetsen, terwijl anderzijds de plicht bestaat om die wetgeving te toetsen aan een ieder verbindende internationale verdragen zoals het EVRM. Dit betekent dat belastingplichtigen die menen dat grondrechten worden geschonden door formele wetgeving zich bij de rechter zullen moeten beroepen op het EVRM, het IVBPR of het EU-Handvest en niet op de eigen grondwet. De nationale grondwet biedt in zoverre geen bescherming.
Artikel 1 Eerste Protocol geniet in Nederland een zekere populariteit onder belastingplichtigen. In de jaren negentig van de vorige eeuw is het besef bij hen doorgedrongen dat belastingen binnen de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol vallen en is een gestage toename van het aantal beroepen op die bepaling waarneembaar.1 Hierdoor heeft de Nederlandse belastingrechter inmiddels ruime ervaring opgedaan met beroepen op artikel 1 Eerste Protocol.2 In veruit de meeste gevallen werden die beroepen afgewezen door de rechter; heel af en toe konden belastingplichtigen een succesje vieren.3 Zonder twijfel is de meeste aandacht getrokken door de procedures over de vermogensrendementsheffing van box 3. Deze belasting wordt geheven over een fictief inkomen uit vermogen dat wordt bepaald door een stapeling van ficties en forfaits, waardoor de werkelijkheid bijna nooit wordt benaderd en vaak zelfs zeer ver uit het zicht verdwijnt. In sommige gevallen heeft dit geleid tot effectieve belastingtarieven die structureel ver boven de 100% van het te belasten rendement liggen ondanks het volgens de wetgever te benaderen effectieve tarief van 30% van het werkelijke rendement. Inmiddels is de rechtspraak over het regime zoals dat heeft gegolden van 2001-2016 uitgekristalliseerd. Dit heeft belangrijke inzichten opgeleverd over de wijze waarop de Hoge Raad aankijkt tegen excessieve belastingen en de positie die de rechter binnen de Nederlandse trias politica inneemt ten opzichte van de wetgever.
De opzet van dit hoofdstuk is als volgt. In de paragrafen 13.2 en 13.3 bespreek ik eerst hoe de bescherming van grondrechten in het algemeen en het eigendomsrecht in het bijzonder in Nederland vorm heeft gekregen. Daarbij komen zowel het grondwettelijk kader als de wijze waarop de Nederlandse rechter zijn taak invult als een beroep wordt gedaan op grondrechten aan de orde. In par. 13.4 ligt de focus op de belastingrechtspraak van de Hoge Raad. Ik zal deze vergelijken met de rechtspraak van het EHRM. In par. 13.5 trek ik conclusies uit een en ander.