Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.2.2:7.2.2 Voorstel regering
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.2.2
7.2.2 Voorstel regering
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regering was een andere mening toegedaan dan de Staatscommissie. In het oorspronkelijke wetsvoorstel dualisering gemeentebesturen stelde zij de onafhankelijke rekenkamer namelijk verplicht voor alle gemeenten. Dit voorstel is gedaan in weerwil van het advies van de Raad van State. De Raad achtte een verplichte onafhankelijke rekenkamer voor kleinere gemeenten een veel te zware constructie. Hij adviseerde de regering de regeling voor onafhankelijke rekenkamers facultatief te maken, temeer omdat "met het instituut nog geen ervaring van betekenis is opgedaan".1
De koerswijziging ten opzichte van het rapport van de Staatscommissie was al aangekondigd in het kabinetsstandpunt ten aanzien van dit rapport. In dit kabinetsstandpunt schrijft de regering dat de onafhankelijkheid van de lokale rekenkamer ten opzichte van de gemeentelijke bestuursorganen in de Gemeentewet moet worden gewaarborgd. De regering constateert daardoor bovendien een "principieel verschil met uit raadsleden bestaande commissies van de rekening die ook doelmatigheidsonderzoek (laten) doen"2
Voor het verplicht stellen van een dergelijke rekenkamer zijn volgens de regering vier inhoudelijke redenen:
de lokale rekenkamer versterkt de positie van de raad ten aanzien van de uitoefening van zijn controlerende functie;
de aandacht voor en het belang van doelmatigheid en doeltreffendheid groeit — burgers beoordelen de overheid steeds meer hierop;
een verdere verbetering van de rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets is gewenst;
de rapportages van de lokale rekenkamer vormen een goed aanknopingspunt voor het afleggen van rekenschap aan de burgers.
De regering voegt daar bovendien aan toe dat het belang van onafhankelijke rekenkamers "voor de kwaliteit van het bestuur en voor het proces van het afleggen van rekenschap aan de burger (...) dermate groot [is] dat het al dan niet instellen van een rekenkamer geen onderwerp van gemeentelijk beleid mag zijn".3 Dat het verplicht stellen van een dergelijke 'zware' rekenkamervariant op met name kleinere gemeenten een stevige wissel kan trekken, wilde de regering ondervangen met de mogelijkheid van gemeenschappelijke rekenkamers.
Net als de Staatscommissie hinkt de regering in haar motivering van de verplichte onafhankelijke rekenkamer op twee gedachten. Enerzijds wordt deze rekenkamervariant gepresenteerd als een versterking van de positie van de gemeenteraad ten aanzien van zijn controlerende functie; anderzijds moet de onafhankelijkheid van de rekenkamer ten opzichte van andere gemeentelijke bestuursorganen — waaronder de raad — worden gewaarborgd. Dit laatste betekent onder meer dat de raad niet in de gelegenheid zou moeten worden gesteld de rekenkamer rechtstreeks aan te sturen.
De tekst van het wetsvoorstel maakt duidelijk dat onafhankelijkheid voor de regering de doorslag geeft. De conclusie daarvan zou moeten zijn dat de versterking van de positie van de gemeenteraad hierdoor slechts indirect zou kunnen worden bewerkstelligd. Dat een direct verband tussen het uit te voeren doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek en de wensen daaromtrent van de gemeenteraad zou komen te vervallen, acht de regering niet bezwaarlijk. Zij wijst namelijk op art. 213a Gemeentewet dat aan "de raad een uitdrukkelijke taak met betrekking tot het doen van onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid" geeft.4